16/5378 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2016, 16/768 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 3 januari 2018 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.R. Ali hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november
- Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante verrichtte werkzaamheden als verkoopster bij [naam werkgever] voor 40 uur per week. Op 21 juni 2013 is zij uitgevallen voor deze werkzaamheden vanwege hand- en rugklachten. 1.
- Bij besluit van 24 april 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 19 juni 2015 geen recht op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is ontstaan, omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 8 januari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De verwijzing naar het rapport ‘Actualiseren wetenschappelijke kennis en inzichten veel voorkomende aandoeningen. Aspecifieke rugklachten’ van 21 december 2015 treft geen doel, nu hierin slechts een aanbeveling staat om de beoordelingsmethodiek volgens het protocol aan te passen en een protocol slechts een hulpmiddel is voor de verzekeringsarts bij het vaststellen van de belastbaarheid. Niet gebleken is dat de rugbeperkingen van appellante zijn onderschat. De pijnklachten bij langdurig lopen, staan en zitten als gevolg van haar rugklachten zijn niet geobjectiveerd. Appellante heeft geen medische informatie ingebracht die grond geeft voor twijfel aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de op grond daarvan vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 december
- De door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 7 januari 2016 geselecteerde functies leiden tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 0%. Appellante heeft enkel betoogd dat zij de deze functies vanwege haar rugklachten niet kan verrichten. Nu geen aanleiding bestaat de vastgestelde FML voor onjuist te houden en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geoordeeld dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden, slaagt deze grond reeds daarom niet. 3.
- Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, dat haar rugklachten zijn onderschat en dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ook bij handhaving van de FML onderzoek had dienen te verrichten naar de passendheid van de geselecteerde functies. 3.
- Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Het oordeel van de rechtbank en de daaraan door haar ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, wordt daaraan nog het volgende toegevoegd. 4.
- In de FML van 30 december 2015 zijn beperkingen aangenomen die betrekking hebben op de rugklachten van appellante. In de brief van neuroloog B.B. Mook van 2 augustus 2014 staat als conclusie dat er klinisch geringe aanwijzingen voor radiculaire prikkelingen volgens S1 links zijn, zonder objectiveerbare afwijkingen bij neurologisch onderzoek, en een normaal MRI-LWK. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 30 december 2015, dat de belastbaarheid van de rug niet is overschat, wordt daarom onderschreven. Appellante heeft haar standpunt in hoger beroep, dat haar rugklachten zijn onderschat, niet met nieuwe medische stukken onderbouwd. 4.
- Uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals neergelegd in de FML van 30 december 2015 en gezien de toelichting op de signaleringen zoals vermeld in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de belasting van de in bezwaar geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt en dat appellante in staat moet worden geacht deze functies te vervullen.
- Gelet op wat onder 4.2 en 4.3 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari
- (getekend) C.C.W. Lange (getekend) N. Veenstra KS