175273 PW Datum uitspraak: 20 maart 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2017, 17/3674 en 17/3043 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. C.J. Forder, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Forder. Tevens was als tolk aanwezig L. Pomper. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Op 17 september 2012 heeft appellante, van Nigeriaanse nationaliteit, aangifte gedaan van mensenhandel. Met ingang van diezelfde datum is aan appellante een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking humanitaire gronden verleend, welke verblijfsvergunning laatstelijk is verlengd tot 17 september 2015. Appellante ontving met ingang van 17 september 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). 1.2. Naar aanleiding van de in 1.1 genoemde aangifte is in Nederland een strafrechtelijk onderzoek gestart. Op 22 april 2013 heeft de officier van justitie besloten dat onderzoek te staken en de aangifte van appellante te seponeren wegens onvoldoende opsporingsindicaties. Het strafrechtelijk onderzoek is vervolgens overgedragen aan de Spaanse autoriteiten. Bij besluit van 16 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 mei 2016, heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Staatssecretaris) de verblijfsvergunning van appellante met ingang van 22 april 2013 ingetrokken. Bij dit besluit heeft de Staatssecretaris tevens de aanvraag van appellante om wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning regulier afgewezen. Bij uitspraak van 5 januari 2017 heeft de rechtbank Den Haag het beroep van appellante tegen het besluit van 19 mei 2016 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 17 juli 2017 deze uitspraak van de rechtbank Den Haag bevestigd. 1.3. Bij besluiten van 7 februari 2017 heeft het college de (algemene en bijzondere) bijstand van appellante met ingang van 1 februari 2017 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante geen geldige verblijfstitel heeft, waardoor geen recht op bijstand bestaat. 1.4. Bij besluit van 6 april 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 7 februari 2017 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat de bijstand met ingang van 8 februari 2017 wordt beëindigd. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 3.1. De voorzieningenrechter van de Raad heeft bij uitspraak van 3 oktober 2017, ECLI:CRVB:2017:3673, het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit hoger beroep afgewezen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de PW wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet (Vw 2000), met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG. Op grond van artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de PW in verbinding met artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW en IOAZ wordt voor de toepassing van de PW met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling, die na rechtmatig verblijf te hebben gehad in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vw 2000, vóór de beëindiging van die toelating een aanvraag om voortgezette toelating heeft ingediend of tijdig bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van die toelating en die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder g of h, van de Vw 2000. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante op 8 februari 2017 geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de PW, zodat appellante op grond van het eerste lid van die bepaling geen recht op bijstand heeft. Dat betekent voorts dat artikel 16, tweede lid, van de PW op appellante van toepassing is, zodat aan haar zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen bijstand kan worden toegekend. 4.3.1. Appellante heeft aangevoerd dat zij niettemin aanspraak op bijstand kan maken, welke aanspraak zij rechtstreeks ontleent aan de Richtlijn 2004/81/EG van de Europese Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie (Richtlijn 2004/81/EG). Volgens appellante volgt uit deze richtlijn dat zolang een strafrechtelijk onderzoek naar mensenhandel lopende is - ongeacht in welke lidstaat - de lidstaat van verblijf ervoor zorgt dat een levensstandaard wordt gewaarborgd waarmee in het onderhoud kan worden voorzien. In dit verband heeft appellante gewezen op de overdracht van het onderzoek door de politie in Nederland aan Spanje en heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het strafrechtelijke onderzoek naar aanleiding van haar aangifte van mensenhandel nog niet is afgerond. Appellante meent dat voor deze uitleg van de Richtlijn 2004/81/EG steun is te vinden in de Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Europese Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Europese Raad (Richtlijn 2011/36/EU). 4.3.2. De Richtlijn 2004/81/EG is geïmplementeerd in artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en nader uitgewerkt in de Vreemdelingencirculaire (paragraaf B8/3). Het onder 4.3.1 weergegeven betoog van appellante moet (in ieder geval) zo worden opgevat dat de Richtlijn 2004/81/EG in Nederland op onjuiste wijze in de nationale wetgeving is omgezet, op grond waarvan zij een rechtstreeks beroep kan doen op de bepalingen van deze richtlijn. 4.4.1. Ingevolge artikel 1 van de Richtlijn 2004/81/EG is het doel daarvan de voorwaarden vast te stellen voor het verlenen van verblijfstitels van beperkte duur, gekoppeld aan de duur van de daarmee verband houdende nationale procedures, aan onderdanen van derde landen die hun medewerking verlenen bij het bestrijden van mensenhandel of hulp bij illegale immigratie. Blijkens paragraaf 9 van de considerans wordt bij deze richtlijn een verblijfstitel ingesteld die voor deze onderdanen van derde landen een voldoende prikkel moet zijn om samen te werken met de bevoegde autoriteiten en waaraan, om misbruik te voorkomen, bepaalde voorwaarden zijn verbonden. 4.4.2. Ingevolge artikel 6 van de Richtlijn 2004/81/EG zorgen de lidstaten ervoor dat de betrokken onderdanen van derde landen bedenktijd krijgen om te herstellen en zich te onttrekken aan de invloed van de daders van de strafbare feiten, zodat zij met kennis van zaken kunnen beslissen of zij bereid zijn met de bevoegde autoriteiten samen te werken. Tijdens de periode voor de bedenktijd hebben de betrokken onderdanen van derde landen, in afwachting van de beslissing van de bevoegde autoriteiten, toegang tot de behandeling waarin artikel 7 van de Richtlijn voorziet. 4.4.3. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn 2004/81/EG, voor zover van belang, waarborgen de lidstaten de betrokken onderdanen van derde landen die over onvoldoende middelen beschikken een levensstandaard die hen in staat stelt in hun onderhoud te voorzien. 4.4.4. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Richtlijn 2004/81/EG bekijkt de lidstaat wanneer de bedenktijd verstreken is, of eerder indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de betrokken onderdaan inmiddels heeft voldaan aan het onder b genoemde criterium: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.