15/5084 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juni 2015, 15/198 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 5 januari 2018 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D.J.W. Feddes, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv en appellant hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Feddes. Het Uwv heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft zich op 9 oktober 2008 met ingang van 9 juli 2008 ziek gemeld voor zijn werk als proces/ketenmanager bij [naam werkgever]. Per 1 mei 2009 is hij hersteld verklaard. Met een op 2 april 2009 ondertekende vaststellingsovereenkomst is zijn dienstbetrekking per 1 september 2009 met wederzijds goedvinden beëindigd. Appellant heeft van 1 september 2009 tot en met 31 juli 2012 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. In die periode heeft hij zich niet ziekgemeld. 1.2. Appellant heeft op 29 januari 2014 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Hij heeft gemeld dat hij vanaf 13 juli 2008 niet meer heeft kunnen werken wegens burn-outklachten. 1.3. Bij besluit van 1 april 2014 (het primaire besluit) heeft het Uwv appellant met ingang van 29 januari 2013 (een jaar voor datum aanvraag) in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 54%. In overeenstemming met de conclusie van de primaire verzekeringsarts is daarbij de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair vastgesteld op 9 juli 2008. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 mei 2014 is appellant vanaf 3 januari 2014 in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. 1.4. Na een heroverweging door een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv bij besluit van 3 december 2014 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij te kennen gegeven – met toepassing van artikel 76 van de Wet WIA – te zijn teruggekomen van het primaire besluit op de grond dat appellant per 29 januari 2014 (datum van de aanvraag) geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij de wachttijd niet heeft volgemaakt. De betaalde WIA-uitkering wordt niet teruggevorderd. De kosten van het bezwaar worden niet vergoed. Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. 1.5. Tijdens de beroepsprocedure heeft het Uwv bij besluit van 9 april 2015 (bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 ingetrokken en het bezwaar tegen het primaire besluit opnieuw ongegrond verklaard. Verder heeft het Uwv als volgt overwogen: “Heroverweging in de bezwaarprocedure mag alleen leiden tot een ongunstiger resultaat als het Uwv ook zonder dat het bezwaarschrift zou zijn ingediend, tot wijziging van het bestreden besluit ten nadele van de indiener bevoegd zou zijn. Het Uwv mag op basis van artikel 76 van de Wet WIA beschikkingen herzien of intrekken indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Vandaar dat wij ook uw uitkering in de bezwaarfase negatief mogen herzien. Omdat het u niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de uitkering ten onrechte is vastgesteld, herzien wij daarom de uitkering niet met terugwerkende kracht. De uitbetaling van uw uitkering wordt daarom per 4 februari 2015 beëindigd (2 maanden en 1 dag na 3 december 2014). Er wordt zodoende ook geen WIA-uitkering teruggevorderd.” Het Uwv heeft de kosten van bezwaar niet vergoed. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit 1, omdat het beroep van appellant met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede geacht wordt te zijn gericht tegen bestreden besluit 2, dat in de plaats is getreden van het bestreden besluit 1. Het verbod van reformatio in peius is niet overtreden, nu het Uwv ook zonder het bezwaar het besluit, waarmee ten onrechte WIA-uitkering is verstrekt, kon intrekken of weigeren, gelet op het bepaalde in artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA. Gelet op de systematiek en uitgangspunten van de Awb wordt in bezwaar het aangevochten besluit in volle omvang heroverwogen, wat hier ook is gebeurd. Zolang een besluit nog niet onherroepelijk is, kan daar geen gerechtvaardigd vertrouwen aan worden ontleend, zodat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Het Uwv had appellant wel in de bezwaarfase in de gelegenheid moeten stellen te reageren op het gewijzigde standpunt over het (niet) volmaken van de wachttijd. Omdat appellant hierover in beroep gronden heeft kunnen aanvoeren, heeft de rechtbank aanleiding gezien dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de weigering van de WIA-uitkering onaanvaardbare financiële en sociale gevolgen heeft voor appellant. De belangen van appellant zijn voldoende bij de besluitvorming betrokken. Verder heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien voor twijfel aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals verwoord in het rapport van 8 oktober 2014, dat appellant de wachttijd niet heeft volgemaakt. Ten slotte heeft de rechtbank de beroepsgrond van appellant dat hij recht heeft op een loonaanvullingsuitkering niet besproken, omdat deze beroepsgrond ziet op de toekenning van de WIA-uitkering bij het primaire besluit en deze uitkering naar het oordeel van de rechtbank bij bestreden besluit 2 terecht is geweigerd. 3.1. In hoger beroep heeft appellant – samengevat – aangevoerd dat de wachttijd wel degelijk is vervuld. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant verwezen naar informatie van de behandelend therapeut, een rapport van de verzekeringsarts van 28 februari 2014 en rapporten van HSK. Het stond het Uwv niet meer vrij de toekenning van de WIA-uitkering ongedaan te maken, omdat het bezwaar niet was gericht tegen deze toekenning. Door de WIA-uitkering alsnog te weigeren heeft het Uwv het verbod van reformatio in peius overtreden en gehandeld in strijd met het vertrouwens-, het rechtszekerheids-, het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Appellant heeft ook naar voren gebracht dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 76, derde lid, van de Wet WIA. De rechtbank heeft ten onrechte geen consequenties verbonden aan de omstandigheid dat appellant in de bezwaarfase niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op het gewijzigde standpunt van het Uwv over de wachttijd. Ook heeft de rechtbank niet onderkend dat appellant in aanmerking komt voor vergoeding van de kosten van bezwaar, omdat het Uwv bestreden besluit 1 niet heeft gehandhaafd. De rechtbank had het beroep, voor zover het was gericht tegen bestreden besluit 1, ontvankelijk moeten verklaren. Ten slotte heeft appellant verzocht een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen bestreden besluit 4.1. Hangende het beroep heeft het Uwv bestreden besluit 1 niet gehandhaafd en vervangen door bestreden besluit 2. Het Uwv is daarbij niet tegemoet gekomen aan het verzoek van appellant om de door hem in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden. De rechtbank heeft niet onderkend dat daarin in zoverre een belang van appellant was gelegen voor een beoordeling en vernietiging van bestreden besluit 1 (zie ook de uitspraak van de Raad van 27 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9365). De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd. Inhoudelijke beoordeling 4.2.1. Artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt dat voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering voor hem een wachttijd geldt van 104 weken. Als eerste dag van de wachttijd geldt, op grond van het tweede lid van artikel 23, de eerste werkdag al dan niet in dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens werktijd is gestaakt. Op grond van het derde lid van dit artikel worden bij de bepaling van de wachttijd de volgende perioden in acht genomen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.