← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:1196

172584 WAO Datum uitspraak: 3 april 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2017, 16/5178 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari

  1. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant heeft op 28 mei 2014 en 22 augustus 2014 aanvragen om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingediend. Het Uwv heeft in reactie op deze aanvragen appellant bij brief van 23 februari 2015 bericht dat op basis van de beschikbare informatie geen WAO-uitkering kan worden toegekend, omdat uit ingesteld onderzoek in de verzekerdenadministratie blijkt dat in de afgelopen vijf jaar geen verzekeringstijdvakken bekend zijn. Appellant is in de gelegenheid gesteld om voor 23 maart 2015 aanvullende informatie aan het Uwv te doen toekomen. Bij besluit van 31 maart 2015 heeft het Uwv de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld omdat de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn ontvangen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 9 juli 2015 ongegrond verklaard omdat gegevens over ziekte ontbreken bij de in bezwaar ingestuurde informatie. 1.
  3. Appellant heeft het Uwv op 20 november 2015 weer schriftelijk verzocht om hem een uitkering op grond van de WAO toe te kennen. Het Uwv heeft appellant bij brief van 8 december 2015 verzocht om voor 8 januari 2016 een zienswijze naar voren te brengen en aanvullende informatie in te brengen waaronder een kopie van een identiteitsbewijs, de laatste loonspecificaties, de jaaropgaven en medische rapporten van behandelingen. Daarbij is vermeld dat de WAO-aanvraag zal worden afgewezen als de gestelde termijn ongebruikt wordt gelaten. 1.
  4. Het Uwv heeft bij besluit van 24 februari 2016 besloten om zijn aanvraag niet verder te behandelen omdat de gegeven termijn ongebruikt is verstreken. 1.
  5. Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 15 juli 2016 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 februari 2016, onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard. Appellant heeft in bezwaar wel alsnog een leesbare kopie van zijn identiteitsbewijs ingebracht, maar niet de overige benodigde informatie aan het Uwv doen toekomen.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de enkele documenten die appellant in beroep heeft ingebracht buiten de door het Uwv in de brief van 8 december 2015 gestelde termijn zijn ingebracht en bovendien onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het Uwv heeft de aanvraag volgens de rechtbank terecht niet verder in behandeling genomen. 3.
  7. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij alle gegevens aan het Uwv heeft doen toekomen en verzocht om een nieuwe beslissing. 3.
  8. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef, onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. 4.
  11. Het oordeel van de rechtbank en de argumenten die tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Uit de stukken blijkt dat appellant geen informatie binnen de door het Uwv gestelde termijn heeft ingediend. Het Uwv was bevoegd de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten toepassing te laten. 4.
  12. Uit 4.
  13. en 4.
  14. volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  15. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april
  16. (getekend) J.P.M. Zeijen (getekend) L. Boersma VC

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.