185689 AOR Datum uitspraak: 4 april 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. P. Lesquillier, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 oktober 2018, kenmerk BZ011239913 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart
- Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Lesquillier. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom‑van Berckel. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant, geboren in 1930, heeft in december 2016 een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de AOR. Bij besluit van 16 mei 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 september 2017, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant in omstandigheden heeft verkeerd in de zin van de AOR. In dat verband is overwogen dat geen (bevestigings)gegevens zijn verkregen over de gestelde vlucht vanuit Zuid-Bandung naar Noord-Bandung en wat zich heeft afgespeeld in Gang Muntjang en tijdens de vlucht. Tegen het besluit van 1 september 2017 is geen beroep ingesteld. 1.
- In maart 2018 heeft appellant opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de AOR. Bij besluit van 18 juli 2018 is appellant alsnog aanvaard als oorlogsslachtoffer in de zin van de AOR. Verweerder acht het aannemelijk dat appellant tijdens de Bersiap‑periode heeft verbleven in het zuidelijk stadsdeel van Bandung. Volgens het beleid is dat verblijf vanwege de gewelddadige acties die de pemoeda’s daar hebben uitgevoerd een AOR‑omstandigheid. Vastgesteld is dat sprake is van oorlogsletsel, te weten psychische klachten. Daarbij zijn met ingang 1 maart 2018 vrije geneeskundige behandeling en verpleging in verband met zijn oorlogsletsel, een invaliditeitsuitkering en een vergoeding voor huishoudelijke hulp toegekend. Het bezwaar van appellant tegen de ingangsdatum van de toekenningen is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling. 2.
- Op grond van artikel 10, tweede lid, van de AOR gaan de daarin bedoelde uitkering en voorzieningen in op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend. Doorslaggevend is dus het moment van de aanvraag (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3076). 2.
- In het kader van de oorlogswetten voert verweerder het beleid dat hij alleen gehouden is om bij een herziening tot een eerdere datum terug te gaan als sprake is van een hem toe te rekenen ambtelijke fout. In zo’n geval vindt toekenning plaats met terugwerkende kracht tot maximaal vijf jaar. De Raad heeft dit beleid aanvaardbaar geacht (uitspraak van 9 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1425). 2.
- Het verzoek van maart 2018, waarbij is verzocht de eerdere afwijzing te herzien, betreft een aanvraag als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de AOR. Op grond van dat artikel heeft verweerder de ingangsdatum van de toekenningen bepaald op 1 maart
- 2.
- Appellant stelt zich op het standpunt dat verweerder een ambtelijke fout heeft gemaakt door de gegevens uit het Adresboek van Bandung van mei 1941 (Adresboek) niet bij de eerdere beoordeling te betrekken. Verweerder had daarom de ingangsdatum na herziening moeten bepalen op de datum van de eerdere aanvraag van december
- 2.
- Verweerder stelt dat bij de eerdere aanvraag geen ambtelijke fout is gemaakt. De nadere gegevens, in het bijzonder de gegevens uit het Adresboek, die zijn verstrekt bij het herzieningsverzoek hebben ertoe geleid dat op beleidsmatige gronden is aanvaard dat appellant in een AOR‑omstandigheid heeft verkeerd, namelijk dat appellant heeft verbleven in het zuidelijk stadsdeel van Bandung in de periode dat door de pemoeda’s gewelddadige acties werden uitgevoerd. 2.
- De Raad is, met verweerder, van oordeel dat bij de eerdere afwijzing geen sprake is geweest van een ambtelijke fout. Bij de beoordeling van de eerste aanvraag heeft verweerder informatie verkregen van het SAIP en zijn verschillende relatiedossiers geraadpleegd van de moeder, broer en drie nichtjes van appellant. Op grond van die informatie kon geen bevestiging worden verkregen dat appellant AOR‑omstandigheden heeft meegemaakt of dat hij heeft verbleven in Zuid-Bandung. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat het Adresboek ten tijde van de eerdere aanvraag bij verweerder bekend had moeten en kunnen zijn. 2.
- Hieruit volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april
- (getekend) C.H. Bangma (getekend) J. Smolders NW