183679 WUBO Datum uitspraak: 4 april 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 mei 2018, kenmerk BZ011177514 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger‑oorlogsslachtoffers 1940‑1945 (Wubo). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schenkhuizen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom‑van Berckel. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren in 1939, heeft in 2002 bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo. Appellant heeft aan de aanvraag ten grondslag gelegd dat hij te Batavia gevechten tussen Ghurka’s en extremisten heeft meegemaakt, lijken heeft gezien en naar de Mentengwijk is geëvacueerd. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 30 september 2002 op de grond dat niet is komen vast te staan dat appellant gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht. Zo is overwogen dat een directe betrokkenheid bij de gevechten niet is komen vast te staan, het zien van lijken niet onder de werking van de Wubo valt en niet is gebleken dat de evacuatie vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden. Tegen het besluit van 30 september 2002 zijn geen rechtsmiddelen aangewend. 1.2. In januari 2011 heeft appellant verzocht de onder 1.1 genoemde afwijzing te herzien. Dat verzoek is door verweerder afgewezen bij besluit van 21 juni 2011 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 november 2011 op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of gegevens naar voren heeft gebracht die tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Het tegen het besluit van 15 november 2011 ingestelde beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van 4 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:860. Daarbij is overwogen dat van de gestelde mishandeling van de zuster van appellant door de vroegere tuinjongen - daargelaten of dit als excessief geweld onder de Wubo kan worden gebracht - geen bevestiging is verkregen. Zo wordt in de geraadpleegde relatiedossiers hiervan geen melding gemaakt. De overgelegde verklaring van de neef van appellant ([naam neef]) geeft geen bijzonderheden over wat appellant zelf is overkomen. Verder is overwogen dat de in beroep overgelegde verklaring van de zuster van appellant ([naam zus]) eveneens de algemene situatie beschrijft en de invloed die deze op het gezin heeft gehad, maar dat concrete gebeurtenissen in de zin van de Wubo niet naar voren zijn gekomen. 1.3. In april 2017 heeft appellant opnieuw verzocht de eerdere afwijzing te herzien en hem alsnog in aanmerking te brengen voor toekenningen op grond van de Wubo. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 7 december 2017, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die aanleiding zouden moeten geven de eerdere afwijzing te herzien. 2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling. 2.1. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. 2.2. De Raad moet vaststellen dat appellant bij zijn herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek in wezen heeft herhaald wat hij reeds ter ondersteuning van zijn eerdere aanvragen had aangevoerd en ook eerder ter beoordeling aan de Raad heeft voorgelegd. De door appellant overgelegde (aanvullende) verklaring geeft een uitgebreidere weergave van zijn oorlogsgebeurtenissen, maar (ook
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.