← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:1342

173952 TW Datum uitspraak: 18 april 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 april 2017, 16/7198 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft [naam], de echtgenote van appellant, hoger beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank heeft het hoger beroep ter behandeling doorgezonden aan de Raad. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart

  1. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden. OVERWEGINGEN 1.
  2. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 16 augustus 2013 met ingang van 1 augustus 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Appellant heeft op 15 maart 2016 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) aangevraagd in verband met de beëindiging van de WW-uitkering van [naam]. Het Uwv heeft appellant bij besluit van 17 maart 2016 een toeslag van € 4,36 bruto per dag toegekend met ingang van 6 maart
  3. 1.
  4. Bij besluit van 28 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Het bedrag aan toeslag is op grond van de TW het verschil tussen het normbedrag voor een gehuwde van € 70,10 en de bruto WW-uitkering van appellant per dag van € 65,
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het bedrag aan toeslag en de rekenmethode op basis waarvan een toeslag wordt vastgesteld, dwingend worden voorgeschreven in de TW. Omdat de toegekende toeslag correct is vastgesteld volgens de bepalingen van de TW kan het beroep niet slagen. 3.
  6. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij het niet eens is met de hoogte van de toeslag. 3.
  7. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de TW, zoals dat luidde ten tijde van de datum hier in geding, heeft recht op toeslag een gehuwde, die a. recht heeft op loondervingsuitkering, en b. per dag een inkomen heeft dat lager is dan € 70,
  10. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de TW, zoals dat luidde ten tijde van de datum hier in geding, is de toeslag voor de persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, gelijk aan het verschil tussen € 70,10 en het inkomen per dag. 4.
  11. Omdat het inkomen per dag van appellant op de ingangsdatum van de toeslag € 65,74 bedroeg en het verschil tussen € 70,10 en € 65,74 gelijk is aan € 4,36, is de hoogte van de toeslag correct vastgesteld. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat het Uwv de hoogte van de toeslag correct heeft vastgesteld volgens de bepalingen van de TW. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  12. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april
  13. (getekend) E. Dijt (getekend) R.P.W. Jongbloed RB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.