176646 PW-PV, 17/6647 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 29 augustus 2017, 17/733 en 29 augustus 2018, 17/732 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college) Datum uitspraak: 2 april 2019 Zitting heeft: mr. O.L.H.W.I. Korte, lid van de enkelvoudige kamer Griffier: V.Y. van Almelo Appellanten zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Guliker. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Appellanten zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren. Appellante heeft vanaf 10 juni 2010 bijstand ontvangen, laatstelijk ingevolge de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande. Appellanten stonden op afzonderlijke adressen ingeschreven in de Basisregistratie personen van de gemeente Zwolle. Naar aanleiding van anonieme telefonische meldingen begin februari 2015 is een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dit verband zijn appellanten beiden gehoord en hebben buurtonderzoeken en waarnemingen plaatsgevonden. Bij besluiten van 1 maart 2016, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluiten van 14 februari 2017 (bestreden besluiten), heeft het college de appellante verleende bijstand met ingang van 1 november 2011 ingetrokken en een bedrag van € 57.748,74 van appellante teruggevorderd, respectievelijk heeft het college dat bedrag mede van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan die besluiten ten grondslag gelegd dat appellanten met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het adres van appellante te Zwolle. Omdat uit het huwelijk van appellanten kinderen zijn geboren heeft het college kunnen volstaan met een onderzoek naar de vraag of appellanten vanaf 1 november 2011 hun hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning. Volgens het college heeft appellante in strijd met de inlichtingenverplichting geen mededeling gedaan van de gezamenlijke huishouding met appellant. Het college heeft appellant aangemerkt als de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden en heeft het van appellante teruggevorderde bedrag daarom mede van appellant teruggevorderd. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Appellanten hebben beiden afzonderlijk hoger beroep ingesteld. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat zij niet aan hun verklaringen mogen worden gehouden, omdat zij deze niet hebben ondertekend. Appellante zou de verklaring grotendeels ook niet hebben begrepen. Uit het proces-verbaal van verhoor van appellante blijkt dat zij, na voorlezing van haar verklaring, daarin heeft volhard en de verklaring om de volgende reden niet heeft willen ondertekenen: “Als ik iets verkeerds gezegd zou hebben dan ben ik er gelijk aan gebonden”. Hieruit blijkt niet dat appellante die verklaring niet heeft begrepen. In het proces-verbaal van verhoor van appellant staat het volgende vermeld: “Na voorlezing van de verklaring volhardde betrokkene bij zijn verklaring. U vraagt mij waarom ik niet wil tekenen. Ja ik weet niet wat de consequenties zijn.” Dat appellanten de processen-verbaal niet hebben willen ondertekenen in verband met de mogelijke gevolgen daarvan, laat onverlet dat de verklaringen op ambtseed zijn opgemaakt door een sociaal rechercheur en dat appellanten daaraan gehouden moeten worden. Dit is te meer het geval nu die verklaringen ondersteuning vinden in de resultaten van de buurtonderzoeken in de omgeving van de door appellanten opgegeven adressen. De verklaringen van appellanten, bezien in samenhang met de resultaten van die buurtonderzoeken, bieden voldoende grondslag voor het oordeel dat appellanten vanaf 1 november 2011 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en daarom met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Hieruit volgt dat de hoger beroepen niet slagen. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier, Het lid van de enkelvoudige kamer, (getekend) V.Y. van Almelo (getekend) O.L.H.W.I. Korte Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.