17 5881 PW, 18/1186 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 9 april 2019 Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 12 juli 2017, 17/491 (aangevallen uitspraak 1), en 16 januari 2018, 17/3082 (aangevallen uitspraak 2), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2019. Namens appellant is mr. Janszen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Opdam. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontvangt sinds 1 juli 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. 1.2. Naar aanleiding van een verzoek van het college hebben medewerkers handhaving van de afdeling Fraudebestrijding van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Haarlem (medewerkers) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Daartoe hebben de medewerkers dossieronderzoek verricht, heeft appellant gegevens overgelegd en hebben de medewerkers op 16 juni 2016 en 23 augustus 2016 gesprekken met appellant gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude (rapport) van 30 augustus 2016. 1.3. De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 1 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 december 2016 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 juli 2016 herzien en de over deze periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 9.047,16 van appellant terug te vorderen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de ontvangst van contante bedragen van [X] (X) tot een bedrag van gemiddeld € 350,- per maand. Deze bedragen moeten worden aangemerkt als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW en dienen in mindering te worden gebracht op de bijstand van appellant. 1.4. Bij besluit van 12 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 mei 2017 (bestreden besluit 2), heeft het college appellant een boete opgelegd van € 1.179,26 op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college is daarbij uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft de hoogte van de boete, rekening houdend met de draagkracht van appellant, vastgesteld op twaalf maal 10% van de voor appellant geldende norm. 2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen het bestreden besluiten ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Herziening over de periode van 1 juli 2015 tot en met 3 juli 2016 4.1. Niet in geschil is dat appellant met ingang van 1 juli 2015 maandelijks contante bedragen heeft ontvangen van X, variërend van € 250,- tot € 400,- per maand, en dat appellant hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college. 4.2. Appellant heeft in de eerste plaats betwist dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij niet wist dat hij de ontvangst van de door hem van X geleende bedragen moest melden. Zodra hij hiermee werd geconfronteerd heeft hij direct volledige openheid van zaken gegeven. Bovendien wist het college vanaf de aanvang van de bijstand dat zijn maandelijkse huur € 900,- bedroeg en dat hij deze huur niet uit de door hem ontvangen bijstand kon voldoen. Dit betoog slaagt niet. 4.3. Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. 4.4. De inlichtingenverplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij de vraag naar verwijtbaarheid geen rol speelt. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het ontvangen van contante bedragen van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Daarom is niet van belang dat appellant niet wist dat hij de bedragen moest melden. Dat het college wist dat appellant hoge woonkosten had, betekent niet dat het college wist of moest weten dat appellant (extra) inkomsten had. 4.5. Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, recht op volledige of aanvullende bijstand zou hebben gehad. 4.6. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Volgens het tweede lid van dit artikel worden bepaalde, daar genoemde inkomens- en vermogensbestanddelen, niet tot de middelen gerekend. 4.7. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086) moet, mede gelet op artikel 11 van de PW, de term beschikken zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. 4.8. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de PW wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.