← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:1418

16/1356 ZW, 16/6803 ZW en 19/1508 ZW Datum uitspraak: 25 april 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 januari 2016, 15/2212 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante], erfgename van [betrokkene] (betrokkene) laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens betrokkene heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld (16/1356 ZW). Op 17 augustus 2016 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarin alsnog inhoudelijk is beslist op het bezwaar en het bezwaar ongegrond is verklaard. Betrokkene heeft hiertegen gronden ingediend (16/6803 ZW). Op 25 augustus 2017 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen waarin betrokkene (alsnog) met ingang van 30 maart 2015 ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) is toegekend. Op 28 augustus 2017 is betrokkene overleden. Mr. Faber heeft te kennen gegeven de (hoger) beroepen namens appellante voort te zetten en gronden ingediend tegen de beslissing van 25 augustus 2017 (19/1508). Het Uwv heeft hierop gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april

  1. Namens appellante is mr. Faber verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma. Namens appellante heeft mr. Faber de (hoger) beroepen ter zitting ingetrokken. Zij heeft daarbij verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en gevraagd het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van schade in de vorm van wettelijke rente. OVERWEGINGEN
  2. Ter zitting is namens appellante meegedeeld dat de hoger beroepen worden ingetrokken, omdat met de nieuwe beslissingen op bezwaar tegemoet is gekomen aan de indiener.
  3. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
  4. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 2.048,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 2.102,72 voor kosten van een geraadpleegde deskundige (14,25 uur x € 121,95 x 21%), in totaal € 5.174,
  5. Er is aanleiding te bepalen dat het Uwv het door betrokkene in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.
  6. Het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de ZW-uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de wettelijke rente dient te berekenen wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV
  7. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 5.174,72; bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt; veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente op de onder 5 vermelde wijze. Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april
  8. (getekend) D. Hardonk-Prins (getekend) C.I. Heijkoop SSa

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.