18 2766 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Datum uitspraak: 9 april 2019 Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 april 2018, 17/3946 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.F.E. Sprenkels, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant ontving bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 23 december 2016 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 29 november 2016 beëindigd (lees: ingetrokken), omdat hij vanaf die datum gedetineerd was. Het college heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW. Bij besluit van 29 juni 2017 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 december 2016 niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding. Appellant heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen het besluit van 29 juni
- 1.
- Bij brief van 3 mei 2017 heeft appellant het college verzocht om terug te komen van het besluit van 23 december
- 1.
- Bij besluit van 6 juni 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 oktober 2017 (bestreden besluit), heeft het college onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit verzoek afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten en omstandigheden. Het feit dat appellant van mening is dat hij onterecht in hechtenis heeft gezeten omdat hij wegens arbeidsongeschiktheid zijn werkstraf niet kon uitvoeren, kan niet als nieuw feit worden aangemerkt. Van deze omstandigheid was namelijk al sprake bij het nemen van het besluit van 23 december
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat wat appellant heeft aangevoerd, geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De reden van zijn detentie en zijn psychische klachten zijn omstandigheden die al eerder bij appellant bekend waren. Ook de door appellant gestelde bijzondere omstandigheden zijn geen omstandigheden die pas bij appellant bekend waren na het nemen van het besluit van 23 december
- Ook kan niet worden gezegd dat de weigering om terug te komen van het besluit van 23 december 2016 evident onredelijk is. Het is niet aan de bestuursrechter om zich uit te laten over de rechtmatigheid van de detentie. De PW schrijft uitdrukkelijk voor dat in geval van detentie geen recht bestaat op bijstand. Tot slot is de rechtbank niet gebleken van strijd met het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel.
- De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april
- (getekend) A.B.J. van der Ham (getekend) L. Hagendijk md