18898 PW Datum uitspraak: 7 mei 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 december 2017, 17/6237 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart
- Namens appellanten is verschenen mr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door V. Brand. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellanten hebben op 13 december 2016, voor zover van belang, een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) voor de kosten van een bank, kast en salontafel. Appellanten hebben daarbij vermeld dat de omstandigheid dat appellant in november 2016 een TIA heeft gehad maakt dat sprake is van veranderde omstandigheden ten opzichte van de eerdere aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. 1.
- Bij besluit van 7 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juli 2017 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college, onder verwijzing naar een advies van GGD Haaglanden (GGD) van 14 februari 2017, de aanvraag afgewezen op de grond dat de kosten waarvoor appellanten bijzondere bijstand hebben aangevraagd niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben - samengevat - aangevoerd dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende medisch noodzakelijke kosten en dat het advies van de GGD niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen zodat het college zijn besluitvorming daarop niet heeft mogen baseren.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Het college heeft de afwijzing van de aanvraag van appellanten gebaseerd op een rapport van de GGD van 14 februari
- In dat rapport wordt de woonsituatie van appellant ten tijde van het onderzoek weliswaar omschreven als niet prettig, maar de GGD-adviseur stelt zich op het standpunt dat van een schrijnende situatie in relatie tot de gezondheid van appellant niet gesproken kan worden. De GGD-adviseur concludeert dat er geen medische indicatie is voor bijzondere bijstand. Hieruit heeft het college, anders dan appellanten betogen, kunnen afleiden dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. In het rapport zijn voorts geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling van appellanten dat de stresssituatie die bij appellant aanleiding heeft gegeven tot de TIA blijft voortbestaan zolang geen bijzondere bijstand is verstrekt. De GGD-adviseur stelt dat de stress die appellant ervaart en die mogelijk heeft geleid tot de TIA, voortkomt uit de gang van zaken rondom een eerdere ontruiming van de woning van appellanten, de vernietiging van de meubels en de daaropvolgende woningtoewijzing. 4.
- De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college zijn besluitvorming op het rapport van de GGD van 14 februari 2017 heeft mogen baseren. Niet gebleken is dat het door het college ingewonnen advies wat betreft de wijze van totstandkoming of de inhoud niet deugdelijk is. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat uit voormeld rapport volgt dat appellant door de GGD-adviseur is gezien en dat zij de door appellant meegebrachte medische informatie, te weten het individueel zorgplan, een medicatieoverzicht en gegevens uit het huisartsendossier, bij haar advies heeft betrokken. Voorts hebben appellanten - ook in hoger beroep - geen medische gegevens overgelegd die twijfel doen ontstaan over de juistheid van het advies. 4.
- Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van L. Hagendijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei
- (getekend) A.B.J. van der Ham (getekend) L. Hagendijk lh