← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:1575

178192 AOW, 19/879 AOW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2017, 17/3502 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats], Tunesië (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 25 april 2019 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord. Op 20 december 2018 heeft de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht (nader) ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten. OVERWEGINGEN 1.

  1. Appellant heeft op 28 juli 2015 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij van 18 maart 1974 tot en met 1 maart 1983 in Nederland heeft gewoond. Bij besluit van 29 juni 2016 heeft de Svb aan appellant met ingang van 17 juli 2016 een ouderdomspensioen toegekend van 18% van het maximale AOW-pensioen. Aan dit besluit is onder meer ten grondslag gelegd dat appellant niet verzekerd is over de periode van 17 juli 1966 tot en met 17 maart 1974 en van 2 maart 1983 tot en met 16 juli
  2. 1.
  3. Bij brief van 28 december 2016 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij het bestreden besluit van 5 mei 2017 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 29 juni 2016 niet-ontvankelijk verklaard, in verband met niet verschoonbare termijnoverschrijding.
  4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3.
  5. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij het niet eens is met de hoogte van het AOW-pensioen. 3.
  6. De Svb heeft in het besluit van 20 december 2018 bepaald dat appellant met ingang van 17 juli 2016 alsnog recht heeft op een AOW-pensioen van 20%. Daarbij is vastgesteld dat appellant verzekerd is voor de AOW vanaf 18 maart 1974 tot en met 20 maart
  7. Appellant heeft recht op een nabetaling van bruto € 494,
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. De Raad stelt vast dat met het besluit van 20 december 2018 geheel is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant. Het geding in hoger beroep strekt zich, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, dus niet mede uit tot dit nieuwe besluit. 4.
  10. Nu de Svb het bestreden besluit niet langer handhaaft en appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling daarvan, zal de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; - bepaalt dat de Svb aan appellant het griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april
  12. (getekend) M.M. van der Kade (getekend) R.L. Rijnen lh

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.