← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:1579

17/2282 ZW Datum uitspraak: 24 april 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2017, 16/6591 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Groen. Als tolk is verschenen [naam tolk]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als inpakker. Op 10 februari 2015 heeft hij zich vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). 1.
  3. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 8 december 2015 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 december
  4. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, heeft vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 86,46% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 4 januari 2016 vastgesteld dat appellant met ingang van 10 maart 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 26 juli 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2.
  5. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Alle klachten van appellant zijn besproken, waarbij appellant ook licht beperkt is geacht op het aspect tillen, en alle voorhanden zijnde medische informatie is bij de beoordeling betrokken. Voor het standpunt van appellant dat de medische beperkingen die uit zijn lichamelijke en psychische klachten voortvloeien onvoldoende zijn onderkend, ontbreekt volgens de rechtbank een medische onderbouwing. Daarom heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een onafhankelijke medische deskundige te benoemen en bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. 2.
  6. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het enkele toekennen van een WSW-indicatie niet betekent dat appellant niet in staat kan worden geacht tot het verrichten van eenvoudige werkzaamheden in het vrije bedrijf. Tot slot staat volgens de rechtbank de matige beheersing van de Nederlandse taal van appellant niet in de weg aan de geschiktheid van de geduide functies. Als algemeen gebruikelijke bekwaamheid mag immers worden aangenomen de mondelinge beheersing van Nederlandse taal bij functies waarvoor geen opleiding dan wel een opleidingsniveau tot basisonderwijs vereist is. 3.
  7. In hoger beroep heeft appellant – kort weergegeven – aangevoerd dat de beperkingen die uit zijn lichamelijke en psychische klachten voortvloeien onvoldoende zijn onderkend. Hij is bij een uroloog onder behandeling in verband met blaaskanker en bij de GGZ in verband met depressieve klachten. Tevens stelt appellant dat hij been- en rugklachten heeft, dat ten onrechte geen actuele medische informatie is opgevraagd en dat geen rekening is gehouden met het feit dat hij een WSW-indicatie heeft. Voor een onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar de in beroep ingebrachte medische informatie. Ten slotte heeft hij de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen. 3.
  8. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). 4.
  11. Appellant heeft in essentie in hoger beroep dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden van appellant uitvoering besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Wat betreft de grond van appellant dat ten onrechte geen (actuele) informatie is ingewonnen bij zijn behandelend psycholoog, heeft de rechtbank er terecht op gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863) een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van beide situaties heeft zich hier voorgedaan, zodat er voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding bestond om nadere informatie in te winnen. Daarbij wordt ook van belang geacht dat de meest recente informatie van de psycholoog, die dateerde uit juni 2015, kenbaar bij de beoordeling is betrokken. Gesteld noch gebleken is dat op de datum in geding sprake was van een relevante wijziging in de psychische gezondheidssituatie van appellant. 4.
  12. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens in geding gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden dan de rechtbank heeft gegeven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 13 juni 2016 en 16 februari 2017 inzichtelijk gemotiveerd dat de verzekeringsarts de functionele mogelijkheden van appellant adequaat heeft neergelegd in de FML. Appellant heeft in 2013 een behandeling aan de prostaat ondergaan, waarvoor een laag frequente jaarlijkse controle plaatsvindt. Uit de in beroep overgelegde medische informatie van de uroloog blijkt dat het in november 2015 prima ging met appellant en dat er geen aanwijzingen waren voor een recidief. Met de bestaande psychische aandoeningen van appellant is in voldoende mate rekening gehouden bij het vaststellen van de belastbaarheid. Gelet op het huisartsjournaal is eerst in november 2016, derhalve geruime tijd na de datum in geding, sprake van kleine recidieven aan de prostaat waarvoor op 7 december 2016 bij appellant een medische ingreep is verricht. 4.
  13. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.
  14. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  15. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april
  16. (getekend) E.J.J.M. Weyers (getekend) M.A.E. Lageweg SSa

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.