← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:1759

18 1126 PW Datum uitspraak: 28 mei 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 januari 2018, 17/4717 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. El Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN

  1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  2. Appellant heeft op 31 december 2015 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van extra verwarming in zijn woning (warmtetoeslag). Met verwijzing naar een advies van een GGD-arts van 16 februari 2016 heeft het college deze aanvraag afgewezen bij besluit van 29 februari
  3. Het beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar van appellant tegen dat besluit is bij uitspraak van de rechtbank van 7 april 2017 (16/6177) ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen die uitspraak heeft appellant bij brief van 25 maart 2018 ingetrokken. 1.
  4. Appellant heeft op 27 februari 2017 opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd voor warmtetoeslag. 1.
  5. Bij besluit van 3 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 juli 2017 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Het college heeft daartoe gewezen op het medisch advies van de GGD-arts van 16 februari
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant en voor verweerder het college moet worden gelezen: “In geschil is of verweerder de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand voor warmtetoeslag terecht heeft afgewezen. Het betreft een opvolgende aanvraag na een eerdere afwijzing die in beroep bij de rechtbank in stand is gebleven. Volgens eiser is er sindsdien een medische verslechtering opgetreden. Eiser heeft echter, hoewel hij daartoe meermaals in de gelegenheid is gesteld, geen medische stukken overgelegd ter onderbouwing van dat standpunt. Verweerder heeft de aanvraag daarom onder verwijzing naar het GGD-advies van 16 februari 2016, dat ten grondslag lag aan de eerste afwijzing, terecht afgewezen.”
  7. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, evenals in beroep, aangevoerd dat hij diverse medische aandoeningen heeft en daarom noodgedwongen 24 uur per dag in zijn kamer verblijft. Volgens appellant is zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor warmtetoeslag daarom ten onrechte afgewezen.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. De Raad voegt hieraan toe dat appellant ook in hoger beroep geen objectief en verifieerbaar bewijs van zijn medische situatie heeft overgelegd. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college de afwijzing van de aanvraag van 27 februari 2017 niet heeft kunnen baseren op het GGD-advies van 16 februari
  10. Op grond van dat advies is geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. 4.
  11. Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  12. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei
  13. (getekend) M. Schoneveld (getekend) S.H.H. Slaats

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.