175528 ZW Datum uitspraak: 12 juni 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2017, 16/2073 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei
- Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam]. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant is tot 1 januari 2011 werkzaam geweest als jongerenwerker voor ongeveer 24 uur per week. Appellant heeft zich op 30 oktober 2012 ziek gemeld. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 28 oktober 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellant per 28 oktober 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht de functies van vleeswarenmaker, slachter en visverwerker (SBC-code 271070), productiemedewerker metaal en elektro‑industrie (SBC-code 111171) en houtwarensamensteller (SBC-code 262140) te vervullen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv ongegrond verklaard. Vervolgens heeft appellant weer een WW-uitkering ontvangen. 1.
- Appellant heeft zich op 26 oktober 2015 ziek gemeld wegens geheugen- en concentratieproblemen. Op 16 november 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Na een aanvullend onderzoek op 10 december 2015 heeft de arts van het Uwv appellant per 17 december 2015 geschikt bevonden voor het vervullen van de onder 1.1 genoemde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 15 december 2015 vastgesteld dat appellant per 17 december 2015 geen recht heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 februari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen van het Uwv een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek verricht. De rechtbank heeft geen reden gezien de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Volgens de rechtbank hebben de verzekeringsartsen van het Uwv alle beschikbare medische informatie van de behandelend sector bij hun beoordeling betrokken en hebben zij voldoende gemotiveerd waarom appellant met ingang van 17 december 2015 geschikt is te achten voor (ten minste één van) de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. De rechtbank heeft meegewogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat bij het opstellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voor de WIA-beoordeling voor appellant, ook voor de psychische belastbaarheid, al zeer forse beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken I en II. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd dat er geen medisch objectiveerbare beperkingen zijn bijgekomen na het opstellen van de FML. 3.
- In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat zijn medische situatie is gewijzigd ten opzichte van zijn gezondheidstoestand tijdens de WIA-beoordeling in
- Appellant is van mening dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn cognitieve en psychische klachten als gevolg van een auto-ongeval. Appellant heeft gesteld dat hij door zijn gezondheidstoestand de geselecteerde functies niet kan uitoefenen. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de passendheid van de functies onvoldoende is onderbouwd. 3.
- Het Uwv heeft gevraagd om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA. 4.
- Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend. Er is geen aanleiding om daarover anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de aangevallen uitspraak worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd. 4.
- De inhoud van de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken van een medisch adviseur, PsyQ en een anesthesist geeft geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank niet te volgen. Het Uwv heeft ter zitting afdoende gemotiveerd dat de informatie over het ongeval in 2012 alsmede de gegevens over de psychische en cognitieve klachten van appellant al bekend waren bij het Uwv en geen nieuw licht werpen op de medische situatie van appellant op de datum in geding.
- De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni
- (getekend) D. Hardonk-Prins (getekend) R.H. Koopman VC