181262 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2018, 17/3999 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur) Datum uitspraak: 30 april 2019 Zitting heeft: J.L. Boxum als lid van de enkelvoudige kamer. Griffier: M. Buur. Namens appellant is ter zitting verschenen mr. M. el Ahmadi, advocaat. Het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak om het besluit van 9 mei 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2017 (bestreden besluit), waarbij het dagelijks bestuur de bijstand van appellant heeft ingetrokken met ingang van 10 maart
- Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant niet alle gegevens heeft ingeleverd waarom de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug heeft verzocht. Hiermee heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het betreft in het bijzonder afschriften van een ING-rekening eindigend op nummer 129, afschriften van een PayPalrekening, dan wel bewijzen van opheffing van deze rekeningen, alsmede bewijzen omtrent het verblijf van appellant in het buitenland. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 10 maart 2017, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 9 mei 2017, de datum van het intrekkingsbesluit. Niet in geschil is dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat, ondanks het feit dat hij niet alle gegevens heeft ingeleverd, hij wel recht op bijstand heeft. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een afschrift overgelegd van zijn ING-rekening eindigend op nummer 129, gedateerd 21 september 2016 met een saldo van € 4,
- Deze grond slaagt niet. Het overleggen in hoger beroep van het bankafschrift van 21 september 2016 is onvoldoende om het recht op bijstand vast te stellen. Nog afgezien van het feit dat dit bankafschrift niet de gehele te beoordelen periode beslaat, heeft appellant de overzichten van de PayPal rekening en gegevens over zijn verblijf in het buitenland nog steeds niet overgelegd. Deze informatie is voor de voortzetting van de bijstand van wezenlijk belang. Nu deze informatie ontbreekt, kan niet worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate appellant in de te beoordelen periode recht had op bijstand en was het dagelijks bestuur gehouden de bijstand in te trekken. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) M. Buur (getekend) J.L. Boxum