178083 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 november 2017, 17/3199 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (college) Datum uitspraak: 4 juni 2019 Zitting heeft: A.M. Overbeeke als lid van de enkelvoudige kamer. Griffier: L. Hagendijk Partijen zijn niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Appellant heeft zich per 1 januari 2017 ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente [gemeente] op het adres [adres] (opgegeven adres). Hij heeft zich op 18 januari 2017 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand met als gewenste ingangsdatum 1 januari
- Bij besluit van 2 maart 2017 heeft het college de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 30 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 juli 2017 (bestreden besluit), heeft het college het besluit van 2 maart 2017 ingetrokken en aan appellant met ingang van 18 januari 2017 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. De bijstand over de periode 1 januari 2017 tot en met 17 januari 2017 heeft het college afgewezen omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat bijstand wordt toegekend over een periode voorafgaand aan de datum van de melding. Het college heeft het bezwaar voor zover gericht tegen het besluit van 2 maart 2017, niet‑ontvankelijk verklaard en aan appellant de gemaakte kosten in bezwaar ter hoogte van € 495,- vergoed. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet‑ontvankelijk verklaard voor zover dat is gericht tegen de niet‑ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 2 maart
- Appellant heeft geen procesbelang omdat de kosten van bezwaar al zijn vergoed. De rechtbank heeft verder het beroep, voor zover dat gericht is tegen de ingangsdatum van de toekenning, ongegrond verklaard en ten aanzien daarvan geoordeeld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat met ingang van een eerdere datum dan 18 januari 2017 bijstand wordt toegekend. De stelling van appellant dat hij zich eerder dan 18 januari 2017 heeft gemeld heeft hij niet onderbouwd en hij heeft hierover bovendien wisselende verklaringen afgelegd. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom die gemotiveerde weerlegging van die gronden onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Met betrekking tot de ingangsdatum heeft appellant in hoger beroep, hoewel aangekondigd, geen gegevens ingebracht ter onderbouwing van zijn stelling dat hij zich al in de eerste week van januari 2017 heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Ook het feit dat het intakegesprek op de datum van de melding heeft plaatsgevonden maakt niet dat het aannemelijk is dat appellant zich al eerder heeft gemeld. Dit betekent dat de bijstand terecht per 18 januari 2017 is toegekend. Het hoger beroep slaagt niet. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) L. Hagendijk (getekend) A.M. Overbeeke