← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:2009

18342 WSF-PV, 18/343 WSF-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2017, 17/3335 en 17/5768 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) Datum uitspraak: 5 juni 2019 Zitting heeft: J. Brand Griffier: G.D. Alting Siberg Ter zitting zijn verschenen: mr. E.R. Weegenaar, advocaat, gemachtigde van appellante, en D.M.C. Zijlstra-Cuiper, vertegenwoordiger van de minister. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

  1. Appellante heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 juni 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 ontvangen, berekend naar de norm die geldt door een uitwonende studerende.
  2. Op 25 oktober 2016 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.
  3. Bij besluit van 11 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 april 2017 (bestreden besluit 1), heeft de minister op basis van de bevindingen van het onderzoek de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 juni 2016 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 1.033,90 teruggevorderd. Bij besluit van 25 april 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 september 2017 (bestreden besluit 2), is aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd van € 516,
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de bevindingen van het onderzoek kunnen dienen als grondslag voor de herziening. De overtreding kan aan appellante worden verweten en de opgelegde boete is evenredig geacht. Voor verlaging van de boete vanwege de gestelde slechte financiële positie van appellante heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.
  5. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Wat zij in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van een deel van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden.
  6. De rechtbank heeft wat is aangevoerd in beroep en herhaald in hoger beroep in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten. De Raad onderschrijft de overwegingen ter zake die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Wat ter zitting is aangevoerd met betrekking tot de controleurs leidt niet tot een ander oordeel. De bevoegdheid van deze controleurs is genoegzaam aangetoond.
  7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) G.D. Alting Siberg (getekend) J. Brand md

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.