← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:2094

176721 AW-W Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door [Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) Datum beslissing: 24 juni 2019 PROCESVERLOOP Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 augustus 2017, 16/3619, in een geding tussen verzoeker en de korpschef van politie. Op 4 maart 2019 is aan partijen meegedeeld dat het hoger beroep ter zitting zal worden behandeld op 19 april

  1. Op 6 maart 2019 heeft verzoeker verzocht de behandeling van de zaak aan te houden. Dat verzoek is ingewilligd. Op 16 mei 2019 is het hoger beroep behandeld ter zitting van de Raad door C.H. Bangma, J.J.T. van den Corput en H. Lagas (behandelend rechters). Ter zitting heeft verzoeker verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak en verzocht om getuigen op te roepen. Beide verzoeken zijn ter zitting door de behandelend rechters afgewezen. Op 16 mei 2019 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechters. De behandelend rechters hebben gereageerd op het wrakingsverzoek en meegedeeld daarin niet te berusten. Verzoeker en de behandelend rechters zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 19 juni
  2. Verzoeker is niet verschenen. Ook de behandelend rechters zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen. OVERWEGINGEN
  3. In artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
  4. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de beslissingen tot afwijzing van beide ter zitting gedane verzoeken onbegrijpelijk (gemotiveerd) zijn. Beide verzoeken zijn zonder enig voorbehoud afgewezen. De motivering van deze beslissingen raakt volgens verzoeker kant noch wal. Het verzoek om aanhouding is afgewezen omdat er onvoldoende onderling verband zou zijn met het hoger beroep van verzoeker dat aanhangig is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). De uitkomst van de procedure bij de Afdeling kan volgens verzoeker van belang zijn omdat daarmee kan worden aangetoond dat een deel van het bewijs in het onderhavige hoger beroep onrechtmatig is verkregen en omdat een eventuele uitspraak van de Raad waarin niet wordt bepaald dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs eraan in de weg staat dat in de procedure bij de Afdeling nog kan worden vastgesteld dat er sprake is van een overtreding in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens. Verzoeker bestrijdt dat oproeping van de getuigen niet nodig is. Dat alles voldoende duidelijk is, is volgens verzoeker, op zijn zachtst gezegd verbazingwekkend.
  5. Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141). 4.
  6. De beslissingen om de behandeling van het hoger beroep niet aan te houden en om geen getuigen op te roepen zijn zogeheten procedurele beslissingen. Dergelijke beslissingen kunnen als zodanig nooit grond vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van een procedurele beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Ook de motivering van een procedurele beslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (zie de uitspraak van 26 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3746). 4.
  7. Gelet op de in 4.1 weergegeven maatstaf, die is ontleend aan het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413), moet worden geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de (motivering van de) afwijzing van de verzoeken om aanhouding en om getuigen op te roepen - naar objectieve maatstaven - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de behandelend rechters. Het verzoek om wraking wordt dan ook afgewezen.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af. Deze beslissing is gegeven door G.M.G. Hink als voorzitter en W.H. Bel en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni
  9. (getekend) G.M.G. Hink (getekend) R.H. Koopman NW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.