182271 PW Datum uitspraak: 4 juni 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2018, 17/4573 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.Y. van Oel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant ontving vanaf 8 juli 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. 1.
- Appellant is op 3 april 2014 na uitnodiging niet verschenen op gesprek in het kader van zijn arbeidsinschakeling. Tevens heeft het college op 17 april 2014 het signaal ontvangen dat appellant met ingang van 10 maart 2014 niet meer op enig adres staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen). Appellant stond vanaf die datum geregistreerd als “vertrokken naar onbekend”. 1.
- Bij besluit van 17 juni 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 10 maart 2014 ingetrokken en de over de periode van 10 maart 2014 tot en met 31 maart 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 625,49 van hem teruggevorderd. 1.
- Bij besluit van 16 juni 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2014 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college met vermelding van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet ten grondslag gelegd dat onduidelijk is gebleven waar appellant sinds 10 maart 2014 heeft gewoond. Over de periode vanaf 10 maart 2014 tot 19 maart 2015 zijn volgens het college in het geheel geen objectieve gegevens beschikbaar over de woon- of verblijfplaats van appellant, zodat vanaf 10 maart 2014 het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft als enige grond aangevoerd dat hij tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verklaard dat hij ten tijde van belang bij zijn zuster verbleef en dat deze verklaring niet door het college is betwist.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De te beoordelen periode loopt van 10 maart 2014 tot en met 17 juni
- 4.
- De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woon- en verblijfsituatie te verschaffen, aangezien die gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van de schending niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate belanghebbende recht heeft op bijstand. 4.
- Vaststaat dat appellant met ingang van 10 maart 2014 in de GBA stond ingeschreven als “vertrokken naar onbekend”. Tevens staat vast dat appellant – desgevraagd – geen objectieve en verifieerbare gegevens heeft verstrekt over zijn woon- en verblijfsituatie na 10 maart
- Met de rechtbank stelt de Raad vast dat appellant, zoals ook weergegeven in het bestreden besluit, onder meer na de hoorzitting in bezwaar door het college in de gelegenheid is gesteld verifieerbare informatie te verstrekken over zijn verblijfplaats en dat hij ook hiervan geen gebruik gemaakt. Dat appellant naar zijn zeggen tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat hij bij zijn zuster heeft verbleven en dat het college de juistheid van deze verklaring niet heeft betwist, kan reeds daarom geen doel treffen. 4.
- Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft. 4.
- Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni
- (getekend) W.H. Bel (getekend) J. Tuit