176721 AW Datum uitspraak: 4 juli 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [eenheid] van 28 augustus 2017, 16/3619 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de korpschef van politie (korpschef) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft S.A.J.T. Hoogendoorn hoger beroep ingesteld. Bij brief van 8 november 2017 heeft S.A.J.T. Hoogendoorn te kennen gegeven dat hij niet langer als gemachtigde van appellant optreedt en dat zijn kantoorgenoot mr. M. Abdelkader de opvolgend gemachtigde is van appellant. Namens appellant heeft mr. Abdelkader bij brief van 23 januari 2018 een verzoek om schadevergoeding ingediend. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend. Op 13 juni 2018 heeft mr. Abdelkader zich onttrokken als gemachtigde. Bij brief van 30 september 2018 heeft S.A. Hoogendoorn zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Bij brieven van 6 maart 2019 en 16 mei 2019 heeft Hoogendoorn namens appellant de gronden van het hoger beroep nader aangevuld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2019. Namens appellant is Hoogendoorn verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.C.M.A. Gommans. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] van politie bij de [naam afdeling] van de eenheid [eenheid] . In het kader van zijn functie was hij in het bijzonder belast met onderzoek naar in beslag genomen vuurwapens en onderdelen en toebehoren daarvan. 1.2. Bij besluit van 7 oktober 2015 heeft de korpschef appellant met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld wegens verdenking van ernstig plichtsverzuim, bestaande uit het zonder daartoe gerechtigd te zijn wegnemen van (onderdelen van) in beslag genomen voorwerpen en het verrichten van (administratieve) handelingen om dit wegnemen te verhullen. 1.3. Bij besluit van 30 juni 2016 heeft de korpschef aan appellant de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Dit besluit is mede gebaseerd op de resultaten van een strafrechtelijk onderzoek dat in opdracht van de Officier van Justitie is uitgevoerd. Het bezwaar tegen dit besluit heeft de korpschef bij besluit van 2 november 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, met veroordeling van de korpschef tot vergoeding van proceskosten. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bestreden besluit in strijd is genomen met artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat dit bevoegdheidsgebrek in beroep is hersteld. Dit gebrek heeft de rechtbank gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant de hem verweten gedragingen niet heeft betwist en dat het beroep zich voor het overige beperkt tot de vraag of de gegevens van het strafrechtelijke onderzoek die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, al dan niet op rechtmatige wijze zijn verkregen. Die vraag heeft de rechtbank bevestigend beantwoord, waarbij zij onder meer heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 30 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1233. 3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 30 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1233, moet worden vastgesteld dat gegevens die zijn verkregen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, politiegegevens zijn als bedoeld in artikel 1 van de Wet politiegegevens (Wpg). Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, onderdeel 2, van de Wpg verstrekt de verantwoordelijke (korpschef) politiegegevens aan de korpschef voor zover hij deze behoeft in verband met disciplinaire bestraffing vanwege niet nakoming van verplichtingen of plichtsverzuim. Op grond van artikel 16, tweede lid, in samenhang met artikel 15, tweede lid, van de Wpg kan in bijzondere gevallen, indien dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de politietaak, de terbeschikkingstelling van politiegegevens door de verantwoordelijke worden geweigerd dan wel kan de verantwoordelijke beperkende voorwaarden stellen aan de verdere verwerking. In artikel 2:13, eerste lid, van het Besluit politiegegevens is een limitatieve opsomming gegeven van de gevallen waarin ter bescherming van de goede uitvoering van de politietaak de terbeschikkingstelling kan worden geweigerd. Dat zich in dit geval één van deze gevallen voordoet, is gesteld noch gebleken. 4.2. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de desbetreffende politiegegevens in dit geval zijn verstrekt en ontvangen door functionarissen die daartoe niet bevoegd waren. Uit 4.1 volgt dat er een wettelijke basis was voor verstrekking van de gegevens en appellant heeft zijn stelling op dit punt niet concreet onderbouwd, nog daargelaten wat de juistheid van die stelling zou moeten meebrengen. De Raad heeft daarom geen aanleiding gezien om, zoals appellant in dit kader heeft verzocht, de korpschef (in persoon) en de betrokken functionarissen als getuigen op te roepen. 4.3. Verder heeft appellant naar voren gebracht dat in dit geval geen dan wel een onvoldoende belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat de verstrekking van de politiegegevens een ontoelaatbare inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer (privacy) maakt. In dit verband heeft hij een beroep gedaan op de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest), artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 7 van de Richtlijn 95/46/EG (Privacyrichtlijn) en artikel 8 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). 4.4. Anders dan is overwogen in de uitspraak van 30 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1233, vindt de verstrekking van politiegegevens in een geval als dit niet plaats ten behoeve van de uitvoering van de politietaak en is de uitzondering van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wbp niet van toepassing. Hier gaat het immers om verstrekking ten behoeve van een disciplinair onderzoek aan de korpschef als werkgever van appellant. 4.5. Het recht op bescherming van privacy is onder meer neergelegd in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EU-Handvest. Ook aan artikel 8 van het EVRM kan bescherming van privacy worden ontleend. De Wbp dient mede ter implementatie van de Privacyrichtlijn. 4.6. Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Privacyrichtlijn houdt in dat de lidstaten bepalen dat de persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig moeten zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of waarvoor zij vervolgens worden verwerkt. 4.7. Verder moet, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8097, en 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3053, met betrekking tot de Wbp van het volgende worden uitgegaan. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.