← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:2329

19534 PW Datum uitspraak: 9 juli 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2018, 18/2629 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BAMA, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Karreman. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant heeft op 21 augustus 2017 een aanvraag om bijstand ingediend. Hij heeft bij deze aanvraag vermeld dat hij niet staat ingeschreven in de basisregistratie personen, maar dat hij op het adres [adres] ( [adres] ), verblijft. 1.
  4. Een medewerker van de afdeling Intake Inkomen Noord heeft appellant in augustus 2017 gevraagd gegevens over zijn woonsituatie en bankafschriften over te leggen. Bij e-mailbericht van 13 september 2017 heeft appellant verklaard al vanaf begin 2016 in het [adres] te verblijven en te overnachten gedurende zeven dagen per week. De eigenaresse van het [adres] is een goede vriendin van appellant en hij mag daar verblijven tot er een oplossing komt. Appellant heeft een verklaring van de eigenaresse van 15 december 2016 overgelegd. Appellant heeft tevens bankafschriften verstrekt. 1.
  5. Bij brief van 2 oktober 2017 is appellant uitgenodigd voor een gesprek met de medewerker op 16 oktober
  6. Appellant heeft deze afspraak afgezegd vanwege een zware griep. 1.
  7. Bij brief van 31 oktober 2017 is appellant uitgenodigd voor een gesprek met de medewerker op 13 november
  8. Verder is appellant gevraagd bankafschriften per maand te overleggen van alle betaalrekeningen en spaarrekeningen van 1 april 2017 tot en met 31 oktober
  9. Appellant heeft op 13 november 2017 in een verklaring over zijn woonsituatie onder meer geschreven dat hij in het [adres] zat, maar nu verschillende verblijfplaatsen heeft. 1.
  10. Bij brief van 17 november 2017 is appellant verzocht het formulier voor personen met wisselende verblijfplaats in te vullen. Appellant diende het formulier in te vullen over de periode 1 september 2017 tot 12 december
  11. Appellant heeft hieraan voldaan. 1.
  12. Bij besluiten van 12 september 2017 en 18 oktober 2017 heeft het college aan appellant voorschotten verstrekt tot een bedrag van in totaal € 1.204,
  13. 1.
  14. Bij afzonderlijke besluiten van 12 december 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 april 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) afgewezen en de aan appellant verstrekte voorschotten teruggevorderd. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen nu appellant wisselend heeft verklaard over zijn feitelijke woon- en verblijfplaats(en) en hierover geen objectieve en controleerbare bewijsstukken heeft overgelegd.
  15. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  16. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  17. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  18. De te beoordelen periode loopt van 21 augustus 2017, datum aanvraag, tot en met 12 december 2017, de datum van het afwijzingsbesluit. 4.
  19. Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven over onder meer zijn woon- en leefsituatie. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 4.
  20. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant onvoldoende concrete informatie heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie, voor zover dit betrekking heeft op de periode van 17 oktober 2017 tot en met 12 december
  21. Het verblijf in de camper, waarbij appellant achteraf heeft vermeld dat hij in acht verschillende straten heeft geparkeerd en dagelijks op een andere parkeerplaats heeft gestaan, is niet controleerbaar en heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Verder komt een aantal van de door appellant opgegeven verblijfplaatsen op het formulier niet overeen met wat hij heeft verklaard tijdens het gesprek op 13 november
  22. Nu appellant tegenstrijdige en onvoldoende concrete informatie heeft verschaft over zijn verblijfplaatsen was het college niet gehouden deze informatie te controleren. De beroepsgrond dat appellant vanwege zijn gezondheid niet beter kon verklaren over zijn verblijfplaatsen treft geen doel, aangezien dit onverlet laat dat het college bij het ontbreken van controleerbare gegevens het recht op bijstand niet kan vaststellen. 4.
  23. Uit het door het college verrichte onderzoek blijkt niet dat appellant over de periode 21 augustus 2017 tot 17 oktober 2017 onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. Appellant heeft vermeld dat hij in die periode in het [adres] heeft verbleven en heeft daarop een toelichting gegeven. Het college heeft zich vervolgens onvoldoende ingespannen om de door appellant opgegeven feitelijke verblijfplaats te verifiëren. Het college had navraag kunnen doen bij de eigenaresse van het [adres] dan wel bij, bijvoorbeeld, de beheerder van het terrein van de volkstuinvereniging waarop het [adres] staat. Dat een gesprek met appellant op 16 oktober 2017 niet door is gegaan en evenmin, zoals het college ter zitting heeft verklaard, een daarna gepland onaangekondigd huisbezoek, brengt niet met zich mee dat appellant over de periode 21 augustus 2017 tot 17 oktober 2017 onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. In zoverre ligt aan de afwijzing van de aanvraag onvoldoende onderzoek van het college ten grondslag en is de afwijzing onvoldoende gemotiveerd. De motivering van de afwijzing in het bestreden besluit is immers niet op deze periode toegespitst, maar op de periode vanaf 17 oktober
  24. 4.
  25. Uit 4.4 volgt dat het college in het bestreden besluit ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat het recht op bijstand niet is vast te stellen over de periode 21 augustus 2017 tot 17 oktober
  26. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. 4.
  27. De volgende vraag is welk vervolg hieraan moet worden gegeven. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen niet in stand worden gelaten en de Raad ziet evenmin mogelijkheden om zelf in de zaak te voorzien. Het college wil immers, zoals het zich in oktober 2017 had voorgenomen, nog nader onderzoek doen naar de woonsituatie en naar de financiële situatie van appellant in de periode van 21 augustus 2017 tot 17 oktober
  28. Het college moet daarom met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant nemen, waarin het college naast de afwijzing van de aanvraag eveneens - voor zover van de belang - de terugvordering van de voorschotten moet heroverwegen. Een bestuurlijke lus is, gelet op de mogelijke duur van het onderzoek door het college, niet aangewezen. 4.
  29. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Raad verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.
  30. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor rechtsbijstand in beroep en op € 1.024,- in hoger beroep. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 5 april 2018; draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld; veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.048,-; bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van in totaal € 174,-. Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli
  31. (getekend) O.L.H.W.I. Korte (getekend) A.A.H. Ibrahim

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.