15/1707 WIA, 16/7542 WIA, 16/7543 WIA en 19/964 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 januari 2015, 14/3519 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 10 juli 2019 PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Mr. Y. van der Linden, advocaat, heeft zich gesteld als gemachtigde van appellante. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali. Het onderzoek ter zitting is geschorst. Het Uwv heeft op 29 juli 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (procedurenummer 16/7542). Hierop heeft appellante gereageerd. Op 14 september 2016 heeft het Uwv een verrekeningsbesluit genomen (procedurenummer 16/7543). Hierop heeft appellante gereageerd. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting is hervat op 19 juli 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Het onderzoek ter zitting is wederom geschorst. Het Uwv heeft op 19 februari 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (procedurenummer 19/964). Hierop heeft appellante gereageerd. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting is hervat op 29 mei 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Rutten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is werkzaam geweest als accountmanager buitendienst voor 40 uur per week. Op 6 maart 2012 is zij uitgevallen wegens nek-, schouder- en rugklachten ten gevolge van een auto-ongeval. 1.2. Bij besluit van 25 februari 2014 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij met ingang van 4 maart 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts van 6 februari 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige van 20 februari 2014. 1.3. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 februari 2014 is bij beslissing op bezwaar van 2 september 2014 (bestreden besluit 1, procedurenummer 15/1707) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 augustus 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 september 2014. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van de beschikbare gegevens de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen heeft de rechtbank ook geen grond gezien voor het oordeel dat de voor appellante geselecteerde functies niet geschikt zouden zijn. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, omdat enkel de verzekeringsarts haar heeft gezien. Verder heeft appellante aangevoerd dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met haar psychische en lichamelijke klachten. Ten onrechte is geen beperking aangenomen voor duwen of trekken. Appellante heeft schildklierklachten en een PTSS, waarvoor zij onder meer heeft verwezen naar informatie van psycholoog M. Mertens van 17 november 2015 en psycholoog drs. M. Kneepkens van 10 oktober 2016. Voor de geselecteerde functies is appellante, gelet op haar beperkingen, ongeschikt. Daarbij komt dat in de functie van perronmedewerker (SBC-code 111220) de belastbaarheid wordt overschreden door de trillingsbelasting van de elektrische heftruck. Verder heeft appellante aangevoerd dat haar maatmanloon, de inkomenseis en haar dagloon onjuist zijn vastgesteld. 3.2. Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 29 juli 2016 (bestreden besluit 2, procedurenummer 16/7542) opnieuw beslist over de WIA-uitkering van appellante. Daarbij is aan appellante met ingang van 4 maart 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met een dagloon van € 124,87. 3.3. Bij besluit van 14 september 2016 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 31 mei 2015 definitief vastgesteld na verrekening van haar inkomsten uit arbeid (procedurenummer 16/7543). Nu tussen partijen geen geschil (meer) bestaat over de verrekening kan de status van dit besluit verder in het midden blijven en zal dit besluit verder onbesproken worden gelaten. 3.4. Het Uwv heeft op 19 februari 2018 (bestreden besluit 3, procedurenummer 19/964) een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is het dagloon van de met ingang van 4 maart 2014 aan appellante toegekende loongerelateerde WGA-uitkering vastgesteld op € 130,38. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Bestreden besluiten 2 en 3 worden, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken. 4.2. Aangezien het Uwv, gelet op bestreden besluit 3, bestreden besluiten 1 en 2 niet langer handhaaft, slaagt het hoger beroep van appellante. Nu het Uwv het door de rechtbank beoordeelde bestreden besluit 1 niet langer handhaaft, kan ook de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, het beroep tegen bestreden besluiten 1 en 2 zal gegrond worden verklaard en deze besluiten zullen eveneens worden vernietigd. 4.3. Het Uwv is met bestreden besluit 3 niet geheel tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante. Appellante heeft na de nadere besluitvorming van het Uwv de onder 3.1 opgenomen gronden gehandhaafd, met dien verstande dat appellante ter zitting te kennen heeft gegeven dat zij zich inmiddels kan vinden in (de hoogte van) het maatmanloon en het dagloon. In geschil zijn derhalve uitsluitend nog de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek, de medische en arbeidskundige beoordeling en de inkomenseis. 4.4. De grond dat geen sprake was van een zorgvuldig medisch onderzoek slaagt niet. De enkele omstandigheid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante niet zelf heeft gezien betekent niet dat het onderzoek onzorgvuldig was. Hierbij is van belang dat de verzekeringsarts appellante zowel lichamelijk als psychisch heeft onderzocht, terwijl de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie heeft verricht en de beschikbare medische informatie in zijn oordeel heeft betrokken. 4.5. De grond dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met appellantes psychische en lichamelijke klachten slaagt ook niet. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 februari 2014 zijn psychische beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren (aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, en aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepiek) en sociaal functioneren (beperkt ten aanzien van omgaan met conflicten) vanwege spanningsklachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapporten van 7 december 2016 en 16 augustus 2017 de informatie van beide psychologen beoordeeld en is inzichtelijk tot de conclusie gekomen dat geen aanleiding bestaat voor meer beperkingen. Verder zijn in de FML van 6 februari 2014 in de rubrieken aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen diverse beperkingen aangenomen wegens de lichamelijke klachten van appellante. Dat appellante is aangewezen op lichte, fysieke arbeid en in de FML beperkt is ten aanzien van tillen of dragen en frequent zware lasten hanteren betekent niet dat ook een beperking voor duwen of trekken moet worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapporten van 25 augustus 2014, waarin onder meer wordt gerefereerd aan de bevindingen in de eindevaluatie van OCA Eindhoven van 6 augustus 2013, en haar rapporten van 16 augustus 2017 en 20 juni 2018, gemotiveerd toegelicht waarom geen aanleiding bestaat om appellante ook op het aspect duwen en trekken beperkt te achten. Daarbij wordt aangetekend dat het bij enerzijds tillen of dragen en frequent zware lasten hanteren en anderzijds duwen of trekken gaat om andersoortige activiteiten. In het CBBS is ‘tillen’ hooguit vijf keer per uur het met de hand(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.