183756 JW, 18/3757 JW Datum uitspraak: 17 juli 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2018, 17/510 en 18/1230 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I.J.N. Fitters-Roeland hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2019. Namens appellant zijn verschenen [naam moeder], de moeder van appellant, en mr. Fitters-Roeland. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.E. Ossewaarde, G.F. Bieleveld en J. Stuifzand. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant, geboren [in] 2007, heeft een autisme spectrum stoornis. Hij ontving van het college laatstelijk vanaf augustus 2015 gedurende 13 uur per week jeugdhulp op grond van de Jeugdwet in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). 1.2. Op 1 juli 2016 is namens appellant een aanvraag ingediend om voortzetting van jeugdhulp voor 13 uur per week in de vorm van een pgb. 1.3. Het college heeft de aanvraag om jeugdhulp bij besluit van 25 juli 2016 afgewezen. Aan appellant is voor een overgangsperiode van 7 augustus 2016 tot en met 6 november 2016 13 uur per week jeugdhulp begeleiding individueel verstrekt in de vorm van een pgb. 1.4. Bij besluit van 22 december 2016 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het gezin van appellant de zorg op eigen kracht kan uitvoeren en dat het gezin geacht wordt om appellant de door hem benodigde zorg en begeleiding te geven. 1.5. Op 22 augustus 2017 heeft appellant een nieuwe aanvraag ingediend. Appellant heeft gevraagd om jeugdhulp voor 20 uur per week in de vorm van een pgb. 1.6. Bij besluit van 19 september 2017 heeft het college de aanvraag om jeugdhulp afgewezen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag kan vinden. 1.7. Bij besluit van 25 januari 2018 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 september 2017 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen. Het college heeft voldoende onderzoek gedaan naar de hulpvraag, de problemen en de nodige hulp (begeleiding) van en voor appellant en zijn ouders. Het college kon concluderen dat appellant en zijn ouders geen aanvullende voorziening op grond van de Jeugdwet nodig hebben, nu appellant de zorg krijgt die hij nodig heeft. Dat de moeder meer zorg moet verlenen dan bij een kind zonder beperkingen het geval zou zijn, maakt niet dat het college gehouden is een voorziening te verstrekken. Die gehoudenheid kan ook niet voortvloeien uit de stelling van appellant dat zijn moeder een betaalde baan heeft opgegeven om voor hem te kunnen zorgen, nu niet blijkt van financiële problemen in het gezin en niet blijkt van een gedwongen keus tussen een betaalde baan en hulpverlening aan appellant. Bij het voorgaande heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat een van de uitgangspunten van de Jeugdwet is, dat het college alleen gehouden is om een voorziening te verstrekken, als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft − kort samengevat − aangevoerd dat zijn begeleiding en verzorging alleen maar intensiever is geworden en dat deze dusdanige vormen aanneemt dat dit de eigen kracht van de ouders te boven gaat. Volgens appellant heeft het college onvoldoende onderzocht of de moeder van appellant op eigen kracht de hulp kan blijven verlenen als er geen pgb wordt toegekend. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling 4.1. Artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet bepaalt dat indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp treft. Het college waarborgt een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 4.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477, volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich mee dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag om jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.