← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:2476

164070 WWAJ Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 9 mei 2016, 15/2803 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) Datum uitspraak: 24 juli 2019 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.P. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni

  1. Namens appellante is mr. Smit verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Affia. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante, geboren [in] 1993, heeft op 5 juni 2012 een aanvraag om arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) ingediend. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv de aanvraag bij besluit van 1 augustus 2012 afgewezen, omdat appellante in staat is geacht met werkzaamheden meer dan 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt. 1.
  3. Op 28 oktober 2014 heeft appellante opnieuw een Wajong-aanvraag ingediend. Een verzekeringsarts heeft in een rapport van 30 december 2014 geconcludeerd dat geen nieuwe gegevens zijn aangeleverd over de medische situatie van appellante op haar 17e verjaardag en 52 weken daarna. Bij besluit van 8 januari 2015 is de aanvraag van 28 oktober 2014 afgewezen op de grond dat geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen ten opzichte van de feiten waarvan is uitgegaan bij het nemen van het besluit van 1 augustus
  4. Het bezwaar van appellante heeft het Uwv bij besluit van 10 november 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan ten grondslag liggen rapporten van een verzekeringsarts van 7 juli 2015 en een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 oktober
  5. De verzekeringsarts heeft in aanvulling op zijn rapport van 30 december 2014 geconcludeerd dat evenmin sprake is van een toename van beperkingen op grond van dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na het 18e jaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
  6. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is – voor zover relevant – overwogen dat appellante met haar herhaalde aanvraag heeft beoogd dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 1 augustus 2012, dat daarnaast bedoeld is een beroep te doen op de regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar en een verzoek te doen om voor de toekomst in aanmerking te worden gebracht voor een Wajong-uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij ziet evenmin aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante niet toegenomen arbeidsongeschikt is en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 juli 2012 gehandhaafd kan blijven. Appellante heeft ook geen feiten en omstandigheden vermeld die aanleiding kunnen geven het oorspronkelijke besluit voor de toekomst te herzien. 3.
  7. Hangende hoger beroep heeft psychiater D.G. Buiten op verzoek van het Uwv een expertise verricht en daaromtrent op 2 oktober 2018 gerapporteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens het rapport van 4 oktober 2018 in dit expertiserapport aanleiding gezien de FML van 6 juli 2012 te wijzigen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in een rapport van 10 oktober 2018 vastgesteld dat appellante niet in staat is 75% van het maatmaninkomen te verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 29 november 2018 appellante met ingang van 25 september 2012 alsnog in aanmerking gebracht voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wajong
  8. 3.
  9. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  10. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  11. Het besluit van 29 november 2018 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken. 4.
  12. Ter zitting bij de Raad heeft de gemachtigde van appellante het hoger beroep beperkt tot een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 4.
  13. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 2 februari 2015 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn 4 jaar en ruim 6 maanden verstreken. Er is geen aanleiding een langere behandelingsduur dan 4 jaar gerechtvaardigd te achten. De redelijke termijn is in dit geval geschonden door het Uwv en door de Raad. Dit leidt tot het oordeel dat zowel het Uwv als de Staat dienen te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante ten bedrage van € 500,-.
  14. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting), op € 1.024,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting) en op € 512,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift), in totaal € 2.560,-. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep tegen het besluit van 10 november 2015 gegrond en vernietigt dat besluit; verklaart het beroep tegen het besluit van 29 november 2018 ongegrond; veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade van € 500,-; veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade van € 500,-; veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.560,-; bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 169,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli
  15. (getekend) E.W. Akkerman (getekend) W.M. Swinkels RB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.