← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:2531

182906 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 april 2018, 17/4614 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur) Datum uitspraak: 23 juli 2019 Zitting heeft: mr. P.W. van Straalen Griffier: D. Bakker Ter zitting is namens appellant mr. C.R. van Stokkum verschenen. Namens het dagelijks bestuur is mr. P.C. van der Voorn verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak om een intrekking van bijstand omdat appellant niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Appellant ontving bijstand met ingang van 17 november 2016. Het dagelijks bestuur heeft de bijstand ingetrokken met ingang van 10 augustus 2017, de datum waarop een huisbezoek heeft plaatsgevonden aan de woning op het uitkeringsadres. Met de bevindingen tijdens dat huisbezoek, in combinatie met de verklaring die appellant voorafgaand aan het huisbezoek heeft afgelegd, heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Tijdens het huisbezoek bleken twee van de drie slaapkamers leeg te zijn. De derde slaapkamer stond vol met spullen. Er stonden een matras tegen de muur en platte dozen met meubels die nog in elkaar moeten worden gezet. In de hoek stonden twee vuilniszakken met kleding, waarvan appellant aangaf dat dit oude kleding betrof. Andere kleding, zoals ondergoed of sokken, was er niet, terwijl appellant daarover voorafgaand aan het gesprek wel had verklaard. Zijn kleding zou in een bruin kastje liggen, maar dat kastje was er ook niet. Administratie was niet aanwezig. Die lag bij de zus van appellant. Bankafschriften stonden nog op het adres van de moeder van appellant en waren ook niet aanwezig. De koelkast was nagenoeg leeg. In de koelkast stonden alleen een pak melk, een fles saus en een fles sambal. In de koelkast stonden geen boter, kaas, appelsap of Vifit waarvan appellant had aangegeven dat die er zouden staan. In de berging stond een wasmachine die het niet meer deed, terwijl appellant voorafgaand aan het huisbezoek nog had verklaard dat hij één keer in de twee weken de was deed. In de woning waren weliswaar meubels aanwezig en ook was sprake van enige mate van elektriciteitsverbruik, maar het geheel van feiten en omstandigheden zoals aangetroffen tijdens het huisbezoek, in combinatie met het feit dat appellant voorafgaand aan het huisbezoek een verklaring heeft afgelegd die op meerdere punten afwijkt van de feitelijk aangetroffen situatie, duidt er op dat appellant ten tijde van het huisbezoek het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven niet, althans nog niet, op het uitkeringsadres had. Dat de verklaring van appellant als gevolg van het gebruik van medicijnen niet juist zou zijn, vindt geen grondslag in de stukken. De gronden slagen niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. Voor een veroordeling in de kosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) D. Bakker (getekend) mr. P.W. van Straalen

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.