← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:2678

17344 WAJONG Datum uitspraak: 1 augustus 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2016, 15/7527 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft J.J.M. Vrancken hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 28 februari 2019 heeft mr. R.J. Michielsen zich gesteld als opvolgend gemachtigde. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Michielsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante, geboren [in] 1983, heeft met een op 6 januari 2015 door het Uwv ontvangen formulier een Wajong-aanvraag ingediend. 1.
  3. Bij besluit van 3 maart 2015 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen op de grond dat er onvoldoende gegevens zijn om de belastbaarheid van appellante op haar 18e verjaardag vast te stellen. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van 26 februari 2015 ten grondslag. 1.
  4. Bij besluit van 19 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 3 maart 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 oktober
  5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 oktober 2015, gelezen in samenhang met het rapport van de verzekeringsarts van 26 februari 2015, is uiteengezet dat de medische gegevens onvoldoende zijn om de arbeidsgeschiktheid te kunnen herleiden naar de situatie van de 18e verjaardag van appellante. Appellante heeft volgens de rechtbank in beroep geen concrete en verifieerbare informatie meer ingebracht die doet twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat het bewijsrisico dat de medische situatie in 2001 en 2002 niet goed kan worden vastgesteld voor rekening en risico van appellante is, omdat sprake is van een laattijdige aanvraag. De rechtbank heeft acht geslagen op de omstandigheid dat appellante in 2006 en 2007 heeft gewerkt. Er zijn volgens de rechtbank geen gegevens door appellante overgelegd waaruit is af te leiden dat zij niet functioneerde in haar werk. De enkele stelling van appellante dat er is gewerkt om “te overleven” maakt dit niet anders. Gelet hierop heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd om appellante in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering. 3.
  6. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het door de rechtbank genoemde bewijsrisico niet bij haar ligt, omdat zij door toedoen van haar klantmanager niet eerder een Wajong-aanvraag heeft ingediend. Daarnaast heeft zij haar standpunt staande gehouden dat de belastbaarheid op haar 18e verjaardag wel degelijk is vast te stellen op basis van het algehele beeld dat ontstaat uit de beschikbare gegevens. Uit het feit dat appellante heeft gewerkt kan volgens haar niet de conclusie worden getrokken dat zij geschikt was om te werken of dat zij arbeidsvermogen had. 3.
  7. Het Uwv heeft gevraagd om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. De vraag ligt voor of de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat het Uwv terecht de Wajong-aanvraag van appellante heeft afgewezen. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord, gelet op het volgende. 4.
  10. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er onvoldoende gegevens aanwezig zijn om te kunnen beoordelen of appellante op haar 18e verjaardag jonggehandicapte was. De daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. 4.
  11. In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe medische stukken ingediend die aanknopingspunten bieden voor een ander oordeel. Dat op grond van het gehele beeld dat ontstaat uit de beschikbare gegevens duidelijk de conclusie kan worden getrokken dat appellante op haar 18e niet belastbaar was, wordt niet gevolgd. Al in beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierover terecht opgemerkt dat op basis van de ingebrachte medische gegevens hooguit valt te zeggen dat appellante in het verleden klachten heeft gehad, maar dat gegevens over de aard en de ernst van de klachten ontbreken. Appellante is in 2009 in behandeling gekomen bij PsyQ, omdat de klachten sinds een aantal maanden waren verergerd. Inzichtelijk is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat de huidige situatie en de situatie tijdens de intake daarom niet kan worden geprojecteerd op de medische situatie in de periode die voor de Wajong-beoordeling van belang is. 4.
  12. De rechtbank heeft terecht gewezen op vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraken van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477) dat bij een laattijdige aanvraag het bewijsrisico dat het medische beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen, bij de aanvrager ligt. Dat appellante mogelijk pas in een laat stadium door haar klantmanager is geadviseerd om een Wajong-aanvraag in te dienen maakt niet dat deze rechtspraak niet van toepassing is. Er is geen aanleiding om in dit geval niet voor rekening en risico van appellante te laten dat meer exacte gegevens over haar gezondheidssituatie rond haar 18e verjaardag ontbreken. 4.
  13. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  14. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus
  15. (getekend) D. Hardonk-Prins (getekend) J. Smolders RB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.