← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:2746

182681 PW-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 april 2018, 16/4102 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant 1] en [appellant 2] , beiden te [woonplaats] (appellanten) het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college) Datum uitspraak: 6 augustus 2019 Zitting hebben: A. Stehouwer, M. Hillen en A.M. Overbeeke Griffier: J. Tuit Appellanten zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F. Dekker. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

  1. Het college heeft de bijstand van appellanten opgeschort met ingang van 6 juni 2016 omdat zij de bij brief van 28 april 2016 en 23 mei 2016 gevraagde gegevens niet - volledig - hadden overgelegd. Appellanten hebben tegen deze opschorting geen bezwaar gemaakt. Appellanten hebben op 6 juni 2016 een aantal stukken overgelegd. Uit de bankafschriften die zij hebben overgelegd blijkt dat er op verschillende dagen in de maanden februari tot en met april 2016 bedragen zijn gestort tot een totaalbedrag van € 2.960,- en een bijschrijving van een bedrag van € 2.365,- op 19 februari
  2. Het college heeft vervolgens op 14 juli 2016 besloten de bijstand te beëindigen met ingang van 6 juni 2016 en in te trekken vanaf 1 februari
  3. Het college heeft dat gedaan omdat appellanten geen volledig inzicht hebben geboden in de herkomst van de stortingen in de maanden februari tot en met april 2016 en de bijschrijving van een bedrag van € 2.365,- op 19 februari
  4. Daarmee hebben ze ook hun inlichtingenverplichting geschonden vanaf 1 februari 2016 en is het recht op bijstand over de periode van 1 februari 2016 tot en met 6 juni 2016 niet vast te stellen. Zonder nadere verklaring met verifieerbare gegevens is niet duidelijk wat de herkomst is van de door appellanten op hun rekening gestorte bedragen. Dat geldt ook voor de verklaring van de (schoon)zus van appellanten. In haar verklaring staat niet beschreven welke bedragen van haar op welke datum op de bankrekeningen van appellanten zijn gestort en waarom haar het bedrag van € 2.365,- toekomt.
  5. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het college terecht heeft geconstateerd dat appellanten niet alle gevraagde gegevens hebben overgelegd. Daarmee hebben ze ook hun inlichtingenverplichting geschonden vanaf 1 februari 2016 omdat zij de stortingen in de maanden februari tot en met april 2016 en de bijschrijving van 19 februari 2016 op hun bankrekeningen niet hebben gemeld, noch de herkomst van die bedragen hebben toegelicht en daarom is het recht op bijstand niet vast te stellen. Dat geldt ook voor de maand mei
  6. Over die maand zijn in het geheel geen gegevens overgelegd, ondanks het verzoek daartoe bij brief van 23 mei
  7. De gronden die appellanten in hoger beroep aanvoeren zijn nagenoeg gelijk aan de gronden in beroep. De rechtbank is op al die gronden ingegaan. De Raad voegt daar nog aan toe dat het college en de rechtbank de verklaring van de schoonzus van appellanten volledig bij de besluitvorming en oordeelsvorming hebben betrokken. Het college heeft terecht geconcludeerd dat de verklaring van de schoonzus onvoldoende duidelijkheid verschaft over de herkomst van de gestorte bedragen. En verder geldt dat bij de verklaring van de schoonzus ook geen nadere verifieerbare gegevens dat die bedragen van haar waren, zijn overgelegd. Dat geldt ook voor haar verklaring dat het bedrag van € 2.365,- haar toekomt.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter De griffier is verhinderd te ondertekenen. (getekend) A. Stehouwer

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.