183536 PW, 19/3530 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 mei 2018, 17/5819 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Woudrichem (college) Datum uitspraak: 13 augustus 2019 Zitting heeft: mr. J.N.A. Bootsma Griffier: S. Slaats Appellante en haar advocaat mr. A. de Raad zijn verschenen. Het college is niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Dit betekent dat de intrekking van bijstand van 1 juli 2013 tot en met 25 november 2015 en de (bij nader besluit van 3 juli 2018) vastgestelde terugvordering van € 34.837,90 in stand blijven. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen. Appellante en haar partner [X] (X) hadden allebei een eigen woning. Uit waarnemingen, het waterverbruik, de verklaringen van appellante en X en de huisbezoeken is gebleken dat X zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Omdat zij samen twee kinderen hebben, heeft het college zo aannemelijk gemaakt dat appellante en X een gezamenlijke huishouding voerden. Uit het onderzoek blijkt dat dit in ieder geval al zo was vanaf 1 juli 2013 en niet pas vanaf augustus/september 2015, zoals appellante bepleit. Zij heeft zelf verklaard dat X zijn hoofdverblijf bij haar heeft vanaf dat zij in haar woning woont, 30 juni 2012, en X heeft verklaard dat dit vanaf 1 juli 2013 zo was. Appellante mag aan die verklaring worden gehouden, omdat niet is gebleken dat deze onder ongeoorloofde druk is afgelegd. Verder was het waterverbruik in de woning van appellante hoger en in de woning van X lager dan gemiddeld. In april 2012 heeft appellante haar relatie met X besproken met haar bijstandsconsulente en gevraagd of hij af en toe bij haar mocht logeren. De Raad heeft geen reden om te twijfelen dat appellante het woord ‘logeren’ heeft gebruikt. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellante wel verklaard dat haar verklaring niet klopt, maar niet dat zij het woord ‘logeren’ niet heeft gebruikt. Logeren mocht van de consulente, maar zij heeft er wel voor gewaarschuwd dat appellante zo de schijn tegen zou kunnen wekken van een gezamenlijke huishouding of financiële verstrengeling en afgesproken is dat appellante het tijdig zou melden als er iets in de situatie met haar vriend zou wijzigen. Verblijf van vier a vijf keer per week is zeker niet hetzelfde als af en toe logeren en appellante heeft dit in strijd met de op haar rustende inlichtingenverlichting niet gemeld. Het hoger beroep slaagt niet. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) S. Slaats (getekend) mr. J.N.A. Bootsma
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.