184416 AOW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 juli 2018, 16/3479 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 13 augustus 2019 Zitting heeft: J.J.A. Kooijman, als lid van de enkelvoudige kamer. Griffier: A.A.H. Ibrahim. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.G.P. Voragen, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak; veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2048,-; bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 175,- vergoedt. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Appellant, geboren [in] 1950, heeft op 18 januari 2016 een aanvraag ingediend om een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op het aanvraagformulier heeft hij vermeld dat hij woont op het adres [adres] (uitkeringsadres) en dat hij een deel van de woonruimte verhuurt aan [naam] (B). De Svb heeft onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellant en is tot de conclusie gekomen dat appellant en B op het uitkeringsadres een gezamenlijke huishouding voeren en dat appellant daarom als gehuwd moet worden aangemerkt. Bij besluit van 27 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 september 2016 (bestreden besluit), heeft de Svb aan appellant met ingang van 8 november 2015 definitief een AOW-pensioen voor een gehuwde pensioengerechtigde toegekend. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft aangevoerd dat de Svb er ten onrechte van heeft afgezien hem te horen alvorens op zijn bezwaar te beslissen. De Svb heeft dit ter zitting desgevraagd erkend. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb dit gebrek in de besluitvorming te passeren, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Gelet op wat hierna over de gezamenlijke huishouding wordt overwogen, zou de Svb, ook indien het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, een besluit met gelijke uitkomst hebben genomen. Appellant heeft aangevoerd dat hij in de te beoordelen periode, die loopt van 8 november 2015 tot en met 27 mei 2016, geen gezamenlijke huishouding met B heeft gevoerd. Op grond van artikel 1, vierde lid, van de AOW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Wederzijdse zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Niet in geschil is dat appellant en B hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Tussen partijen is in geschil of was voldaan aan het criterium van de wederzijdse zorg. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake was van een financiële verstrengeling tussen appellant en B die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Als sprake zou zijn van een financiële verstrengeling, was deze volgens appellant gebaseerd op een zakelijke relatie. Uit het door de Svb uitgevoerde onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant komt naar voren dat B aan appellant maandelijks een bedrag van € 250,- aan huur is verschuldigd en een bedrag van € 50,- voor bijkomende kosten en leveringen (gas, elektra, water, gebruik van zolder voor muziek, vloerbedekking, gordijnen en meubels). Met uitzondering van de slaapkamers worden alle ruimtes gezamenlijk gebruikt. Verder blijkt uit het onderzoek dat appellant 80% bijdraagt in de kosten van het huishouden en B 20%. Appellant beschikt over de TAN-code van de bankrekening van B, maakt de Wajong-uitkering van B over naar zijn eigen rekening, regelt de financiële zaken van B en stelt hem zakgeld ter beschikking. Appellant betaalt de boodschappen en de internetaansluiting waarvan ook B gebruik maakt. Appellant heeft voorts aan B geld geleend voor het betalen van tandartsrekeningen en overige kosten zonder dat sprake is van een concrete terugbetalingsverplichting. Appellant ontvangt geen PGB of andere tegemoetkoming in verband met de zorg voor B. Een en ander duidt op een financiële verstrengeling die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten en die ook niet is te rijmen met een zakelijke relatie. Het voorgaande betekent dat de beroepsgrond van appellant dat hij gedurende de te beoordelen periode geen gezamenlijke huishouding met B heeft gevoerd niet slaagt. De omstandigheid dat appellant B helpt, omdat B kampt met een verslavingsproblematiek en niet op eigen benen kan staan, maakt dat niet anders. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding zijn volgens vaste rechtspraak de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2048,-. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) A.A.H. Ibrahim (getekend) J.J.A. Kooijman Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.