← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:2811

17/5584 PW-PV, 17/5586 PW-PV en 17/5587 PW-PV Datum uitspraak: 20 augustus 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2017, 17/205, 17/27, 16/8468 (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Zitting heeft: G.M.G. Hink Griffier: L. Hagendijk Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. van de Weerd, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Zonneveld. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Bij besluit van 17 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 december 2016 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 10 januari 2015 ingetrokken en de over de periode van 10 januari 2015 tot en met 28 februari 2015 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 1.531,

  1. Bij besluit van 14 juli 2016, na bezwaar gewijzigd bij bestreden besluit 1, heeft het college aan appellant een boete opgelegd van € 539,
  2. Aan bestreden besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn vertrek van het door hem opgegeven adres. Appellant heeft geen duidelijkheid gegeven over zijn woon- en verblijfplaats, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college is bij de boete uitgegaan van normale verwijtbaarheid van appellant. Appellant heeft zich vervolgens op 2 februari 2016 gemeld om bijstand aan te vragen. Bij besluit van 11 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 november 2016 (bestreden besluit 2), heeft het college deze aanvraag om bijstand afgewezen. Op 19 mei 2016 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. Bij besluit van 6 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 november 2016 (bestreden besluit 3), heeft het college deze aanvraag om bijstand afgewezen. Beide aanvragen om bijstand zijn afgewezen, voor zover hier van belang, vanwege een onduidelijke woon- en verblijfsituatie. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. In hoger beroep is alleen nog in geschil de boete en de afwijzingen van de aanvragen om bijstand. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust. Vaststaat dat de huurovereenkomst van de woning van appellant op het opgegeven adres op 9 januari 2015 is ontbonden en dat appellant niet langer op dit adres heeft verbleven. Appellant heeft hiervan geen melding gemaakt. Het college heeft daarmee aangetoond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door hiervan geen melding te maken. Hiervan kan appellant een verwijt worden gemaakt. Anders dan appellant betoogt, is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Appellant heeft niet onderbouwd dat hij door zijn gezondheid niet in staat was bij het college te melden dat hij niet langer op het opgegeven adres verbleef. Een melding bij de woningbouwvereniging ontslaat appellant verder niet van de verplichting een melding bij het college te doen. Het college heeft bij het opleggen van de boete rekening gehouden met de financiële omstandigheden van appellant en de omstandigheid dat een langere periode is verstreken tussen het voornemen een boete op te leggen en de opgelegde boete. De aan appellant opgelegde boete is evenredig. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn, kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Het college stelt zich bij beide aanvragen om bijstand terecht op het standpunt dat appellant zijn feitelijke woon- en verblijfsituatie niet duidelijk heeft gemaakt, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De door appellant in hoger beroep overgelegde verklaring van S. Wong Chung (X) geeft onvoldoende duidelijkheid over de feitelijke woon- en verblijfplaats van appellant. Nog daargelaten de vraag of deze verklaring kan worden aangemerkt als een verifieerbare verklaring omdat onduidelijk is over welk adres X verklaart, heeft X enkel verklaard dat appellant twee keer per maand bij haar logeerde in 2015 en
  3. Daarmee is onduidelijk gebleven waar appellant zijn feitelijke woon- en verblijfplaats heeft gehad. Dit betekent dat de boete in stand blijft en dat beide aanvragen op juiste gronden zijn afgewezen. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) L. Hagendijk (getekend) G.M.G. Hink

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.