← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:3041

Datum uitspraak: 20 september 2019 18/820 ZVW-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 december 2017, 17/2080 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) CAK PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 9 januari 2019 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 9 augustus

  1. Appellante is verschenen. Het CAK heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 9 januari 2019 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 5 oktober 2018 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet. De laatste dag waarop tijdig een verzetschrift kon worden ingediend, was 20 februari
  2. Het door appellante ingediende verzetschrift is op 27 februari 2019 per e-mail aan de Raad gezonden. De termijn voor het indienen van een verzetschrift is aldus overschreden. In verzet heeft appellante te kennen gegeven dat zij zich in de periode waarin verzet moest worden gedaan in een moeilijke periode in haar leven bevond en zij niet adequaat kon reageren. Zij werd bestookt met brieven van verschillende instanties. Daarnaast was het voor haar niet helder hoe ze de uitspraak moest interpreteren en rechtshulpverleners konden haar geen duidelijk antwoord geven. Appellante wist niet of ze de procedure door moest zetten en ze heeft het op zijn beloop gelaten. De Raad ziet in het door appellante aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het had op de weg van appellante gelegen om hulp van derden in te schakelen als er te veel op haar af kwam om haar belangen goed te behartigen. De Raad heeft begrip voor de door appellante geschetste omstandigheden maar acht deze niet dusdanig dat het voor haar onmogelijk was om binnen de gestelde termijn verzet te (laten) doen. Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september
  3. (getekend) C.H. Bangma (getekend) M. Buur VC

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.