← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:3108

176225 AKW Datum uitspraak: 26 september 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2017, 16/5012 AKW Partijen: [verzoeker] te [woonplaats], Marokko (verzoeker) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:

  1. De Svb heeft op dit verzoek om herziening gereageerd. Verzoeker heeft nadere reacties ingediend. Het verzoek is gevoegd met het verzoek 18/5658 AKW behandeld ter zitting van 15 augustus
  2. Verzoeker is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. OVERWEGINGEN 1.
  3. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 1.
  4. Bij de uitspraak van 4 augustus 2017 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2016, 15/7710, bevestigd. Daarbij heeft de Raad overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat verzoeker met ingang van het tweede kwartaal van 2015 niet meer verzekerd is voor de Algemene Kinderbijslagwet. 1.
  5. Verzoeker heeft gevraagd zijn recht op kinderbijslag opnieuw te beoordelen. 1.
  6. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1615) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren en ook niet om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen. In beginsel kunnen slechts aangelegenheden van feitelijke aard tot herziening leiden. 1.
  7. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen omdat niet is gebleken dat verzoeker enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, naar voren heeft gebracht. Het verzoek om herziening bevat namelijk geen gronden die betrekking hebben op de reden waarom de uitspraak van de rechtbank is bevestigd bij de uitspraak van 4 augustus
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september
  9. (getekend) J.J.T. van den Corput De griffier is verhinderd te ondertekenen. rh DÉCISION La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) rejète la demande de révision. Par conséquent, décidée par J.J.T. van den Corput en présence de M.A.A. Traousis en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 26 septembre 2019.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.