← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:3261

174377 PW-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 april 2017, 16/10009 PW (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college) Datum uitspraak: 8 oktober 2019 Zitting hebben: W.F. Claessens als voorzitter, P.W. van Straalen en M. van Paridon als leden. Griffier: P.Y.M. Liu. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.J. van der Meulen, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Onwijn. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Het gaat in deze zaak nog om een intrekking over de periode van 12 januari 2016 tot en met 13 september 2016 (periode in geding). De grondslag daarvan is dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de op geld waardeerbare werkzaamheden die hij heeft verricht voor zijn bedrijf [bedrijf] (bedrijf). Vaststaat dat appellant in de periode in geding voor zijn bedrijf op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht die verband houden met de organisatie van het evenement [evenement] op 4 september 2016 (evenement). Van deze werkzaamheden had appellant melding moeten maken. Dat heeft hij niet gedaan. Appellant heeft aangevoerd dat hij niettemin zijn inlichtingenverplichting is nagekomen, omdat hij melding heeft gemaakt van zijn activiteiten voor het bedrijf. Deze beroepsgrond slaagt niet. De activiteiten waarop appellant doelt, zagen op de voorbereiding van zijn bedrijf in 2012 en 2013 en niet op de hiervoor bedoelde werkzaamheden in de periode in geding. Appellant voert voorts aan dat het mogelijk is om het recht op aanvullende bijstand schattenderwijs vast te stellen op basis van het door hem in hoger beroep overgelegde overzicht van het aantal uren per maand dat hij in de periode in geding heeft besteed aan de organisatie van het evenement (urenoverzicht). Deze beroepsgrond slaagt niet, alleen al bij gebreke aan een verifieerbare onderbouwing van het urenoverzicht, bijvoorbeeld in de vorm van een boekhouding of administratie van de door appellant gewerkte uren. Het urenoverzicht biedt daarom geen toereikende basis om schattenderwijs vast te stellen of en, zo ja, in hoeverre appellant over de periode in geding recht heeft op aanvullende bijstand. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt daarom bevestigd. Dit betekent dat de intrekking van de bijstand over de periode van 12 januari 2016 tot en met 13 september 2016 in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) P.Y.M. Liu (getekend) W.F. Claessens

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.