17981 WAO Datum uitspraak: 31 januari 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 december 2016, 16/4861 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I.T.A. Duijs hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2018. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.L. Clemens. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft aanvankelijk als metselaar/opperman gewerkt. Na uitval voor deze werkzaamheden wegens rugproblemen is appellant met ingang van 3 januari 2000 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Na omscholing heeft appellant als chauffeur gewerkt en vervolgens is hij gaan werken als schademedewerker. 1.2. Op 8 oktober 2014 heeft appellant zich per 4 februari 2014 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens psychische klachten. Appellant is op 6 januari 2016 op het spreekuur gezien door een verzekeringsarts voor een einde wachttijd beoordeling. De verzekeringsarts heeft beperkingen aangenomen in persoonlijk en sociaal functioneren wegens verminderde psychische draagkracht. Tevens heeft hij wegens de bekende rugproblematiek beperkingen aangenomen ten aanzien van rugbelasting. De verzekeringsarts heeft de beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 januari 2016. Door een arbeidsdeskundige zijn vervolgens vijf functies geselecteerd waarmee appellant voor 25-35% arbeidsongeschikt is geacht. Bij besluit van 10 februari 2016 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 2 februari 2016 ongewijzigd voortgezet. 1.3. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 februari 2016 heeft het Uwv bij besluit van 13 juni 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat op grond van de beschikbare medische gegevens moet worden aangenomen dat bij appellant niet te geringe medische beperkingen zijn vastgesteld. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsartsen van het Uwv op de hoogte waren van alle door appellant gestelde klachten, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd heeft gereageerd op de informatie van 18 oktober 2016 van psycholoog G.L. Valke en dat verzekeringsarts H.M.T. Offermans in zijn brief van 9 november 2016 dezelfde aspecten naar voren heeft gebracht als Valke. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant, uitgaande van de FML van 6 januari 2016, in staat is de voorgehouden functies te vervullen. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn belastbaarheid niet juist is vastgesteld. Hij wijst erop dat verzekeringsarts Offermans heeft vastgesteld dat appellant wegens zijn verstandelijke beperking is aangewezen op een permissieve werkomgeving en veelvuldige feedback/intensieve begeleiding en dat hij volgens de deskundige van Idris niet geschikt is voor de reguliere arbeidsmarkt. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stellingen een brief van 22 maart 2017 van psycholoog Valke, een NPO van 27 februari 2018 van psycholoog M.G.Q. van Driel en een rapport van 19 januari 2018 van registerarbeidsdeskundige ing. M. de Jager ingebracht. Appellant heeft een psychiatrische expertise van drs. J. Huisman van 22 oktober 2018 ingebracht en verzocht de bevindingen daarin te volgen dan wel een deskundige te benoemen. 3.2. Het Uwv heeft met verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 april 2017, 13 juni 2018 en 7 november 2018 bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verzekeringsarts(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.