18 770 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Datum uitspraak: 5 november 2019 Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2017, 17/1328 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Westerwolde (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F.H. Kappelhof, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kappelhof. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving vanaf 12 oktober 2010 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Appellant stond sinds voornoemde datum ingeschreven op het adres X te [woonplaats] (uitkeringsadres). 1.2. Naar aanleiding van een heronderzoek in mei 2015, waaruit was gebleken dat appellant veelvuldige pinde in [plaatsnaam], en de melding die het college begin september 2015 heeft ontvangen dat appellant niet woonde op het uitkeringsadres, maar bij zijn moeder in [plaatsnaam], heeft een handhavingsmedewerker van de gemeente Bellingwedde (nu: gemeente Westerwolde) een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand ingesteld. In het kader van dit onderzoek heeft de handhavingsmedewerker onder meer bij Waterbedrijf Groningen en Enexis Netbeheer verbruiksgegevens opgevraagd en bij de afdeling belastingen van de gemeente Bellingwedde informatie ingewonnen over de lediging van de afvalcontainers op het uitkeringsadres. Verder zijn er waarnemingen verricht en zijn buurtbewoners van het uitkeringsadres en van het woonadres van de moeder van appellant aan [adres] te [plaatsnaam] gehoord. Op 26 juli 2016 en 27 juli 2016 hebben twee sociaal rechercheurs appellant verhoord. In aansluiting op het laatste verhoor is een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 1 februari 2016 en in een (aanvullend) rapport van 1 september 2016. 1.3. Bij besluit van 8 augustus 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 februari 2017 (bestreden besluit), heeft het college de uitbetaling van de bijstand van appellant per 1 juli 2016 geblokkeerd. 1.4. De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van 22 september 2016, eveneens na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, de bijstand van appellant over de periode van 12 oktober 2010 tot 27 juli 2016 in te trekken, met ingang van 27 juli 2016 te beëindigen en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 12 oktober 2010 tot 1 juli 2016 tot een bedrag van € 82.488,66 van appellant terug te vorderen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan het college te melden dat hij in voornoemde periode niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze ziet op de intrekking en de terugvordering. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 12 oktober 2010 tot 1 juli 2016 (periode in geding). 4.2. Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. 4.3. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. 4.4. Uit de gegevens van Waterbedrijf Groningen blijkt dat in de periode in geding op het uitkeringsadres sprake was van het volgende waterverbruik: - in de periode van 12 oktober 2010 tot 31 december 2011 1 m³ - in de periode van 31 december 2011 tot 31 december 2012 2 m³ - in de periode van 31 december 2012 tot 31 december 2013 7 m³ - in de periode van 31 december 2013 tot 31 december 2014 10 m³ - in de periode van 31 december 2014 tot 17 maart 2015 2 m³ - in de periode van 17 maart 2015 tot en met 27 juli 2016 5 m³ 4.5. Appellant heeft de onder 4.4 weergegeven meterstanden betwist. Volgens appellant zijn deze meterstanden onbetrouwbaar, omdat een deel van deze meterstanden gebaseerd is op schattingen. 4.6. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn betoog. Zowel op 12 oktober 2010, de datum waarop appellant zich heeft ingeschreven op het uitkeringsadres, als op 27 juli 2016, de datum waarop het huisbezoek heeft plaatsgevonden, is de meter afgelezen en was dus van een schatting geen sprake. Verder blijkt uit de gegevens van Waterbedrijf Groningen dat de watermeter op 17 maart 2015 is vervangen en dat ook op dat moment de meterstanden zijn opgenomen. Uit de opgenomen meterstanden van het moment dat appellant zich heeft ingeschreven op het uitkeringsadres en het moment van de vervanging van de watermeter volgt dat het waterverbruik gedurende een periode van viereneenhalf jaar slechts 22 m³ bedroeg. Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding om de onder 4.4 weergegeven specificatie van het waterverbruik in twijfel te trekken. 4.7. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1986) is bij een verbruik van maximaal 7 m³ water per jaar per huishouden - ongeacht het aantal personen van dit huishouden - sprake van een extreem laag waterverbruik. Een extreem laag verbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de betrokkene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.