Datum uitspraak: 13 november 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 januari 2016, 15/386 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.C.E. Siebenga-Moggré, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft M. van Heugten-Hoogendoorn, verzekeringsarts, benoemd als deskundige. Van Heugten-Hoogendoorn heeft op 5 april 2019 haar rapport uitgebracht. Appellant heeft een zienswijze op dit rapport ingebracht. Het Uwv heeft een gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 mei 2019 ingebracht. Appellant heeft bij brief van 14 augustus 2019 het hoger beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten, wettelijke rente en schade wegens schending van de redelijke termijn. Naar aanleiding van dit laatste verzoek van appellant heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt. Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 mei 2019 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Nu aldus aan appellant is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 1.024,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 1.280,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het geven van een zienswijze op het rapport van 5 april 2019). De reiskosten die appellant heeft moeten maken voor het bezoek aan de deskundige komen voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 38,60 (openbaar vervoer 2e klas). Ook de gemaakte kosten van € 198,86 in verband met het opvragen van medische informatie in beroep komen voor vergoeding in aanmerking. De totale vergoeding komt uit op een bedrag van € 2.541,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.