18651 ZW Datum uitspraak: 13 november 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 december 2017, 16/3947 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. R.M.M. Menting, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Menting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. OVERWEGINGEN 1.
- Appellant was werkzaam als productiemedewerker voor ongeveer 44 uur per week toen hij zich op 27 februari 2012 ziek meldde in verband met lage rugklachten en pijn in zijn linker onderbeen en linker voet. Het dienstverband is op 18 maart 2013 geëindigd. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 24 februari 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellant per deze datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht onder meer de functie van inpakker (SBC-code 111190) te vervullen. 1.
- Appellant heeft zich op 3 juli 2015 ziek gemeld met rugklachten en klachten ten gevolge van een blaastumor. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellant op 9 juni 2016 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 juli
- Een arbeidsdeskundige heeft op basis van deze FML vastgesteld dat appellant in staat is één van de eerder in het kader van de WIA geselecteerde functies te vervullen, namelijk de functie van inpakker. Op 6 september 2016 heeft de verzekeringsarts appellant opnieuw gesproken en hem weer hersteld verklaard voor de maatgevende arbeid. Bij besluit van 6 september 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW), omdat hij met ingang van 13 september 2016 geschikt wordt geacht voor de functie van inpakker. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 31 oktober 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een arts bezwaar en beroep ten grondslag.
- De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank ligt aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag. Hierbij heeft de rechtbank in overweging genomen dat de verzekeringsarts appellant heeft gesproken, lichamelijk heeft onderzocht en medische informatie van de huisarts en uroloog in zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts haar conclusie voldoende begrijpelijk heeft neergelegd in de rapporten van 21 juli 2016 en 7 september
- Ook de arts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank zijn visie voldoende inzichtelijk gemaakt in het rapport van 27 oktober
- De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te concluderen dat het onderzoek van de kant van het Uwv onvoldoende zou zijn geweest en heeft evenmin reden gezien voor het instellen van een nader medisch onderzoek. De door appellant ingebrachte brief van de orthopedisch chirurg van 26 maart 2014 heeft de rechtbank niet aan het twijfelen gebracht, omdat deze informatie al was gezien en gewogen in het kader van de eerdere WIA-beoordeling. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv appellant terecht met ingang van 13 september 2016 in staat heeft geacht tot het verrichten van zijn arbeid. 3.
- In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Daarnaast heeft appellant staande gehouden dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn rugklachten met uitstraling naar zijn linker been alsmede met diverse klachten ten gevolge van de bij hem vastgestelde blaaskanker. Ook heeft appellant te kennen gegeven wegens slaaptekort energetische klachten te ervaren, waardoor volgens hem een urenbeperking is aangewezen. Appellant is van mening dat hij door zijn beperkingen niet in staat is de functie van inpakker te vervullen. 3.
- Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA. 4.
- De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Wat er ook zij van de beperktheid van het medisch (vervolg)onderzoek door de verzekeringsarts op 6 september 2016 de arts bezwaar en beroep heeft op basis van de dossiergegevens, de informatie die hij heeft verkregen tijdens hoorzitting en spreekuur en de gegevens van de behandelend sector een juist en volledig beeld kunnen vormen van de medische situatie van appellant op de datum in geding. De arts bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd hoe hij tot zijn standpunt is gekomen. 4.
- Er is geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door de artsen van het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant op de datum in geding. De artsen van het Uwv zijn bekend met de rugklachten (HNP) van appellant met uitstraling naar het linker been en hebben overeenkomstig de WIA-beoordeling diverse beperkingen aangenomen in rubrieken 3, 4 en
- Daarnaast heeft het Uwv met het aannemen van een beperking voor een werkomgeving met stof, rook, gassen en dampen (item 3.6) de ademhalingsproblematiek van appellant onderkend. Gezien het klachtenpatroon van appellant heeft het Uwv tevens reden gezien appellant beperkt te achten voor een werkomgeving met een verhoogd persoonlijk risico (item 1.9.9). Niet is gebleken dat de artsen van het Uwv met het aannemen van deze beperkingen de medische situatie van appellant op de datum in geding hebben onderschat. De voorhanden gegevens van de behandelend artsen van appellant bieden daarvoor ook geen aanknopingspunten. Voor het aannemen van aanvullende beperkingen in verband met zijn been-, arm-, hand- en vingerklachten alsmede voor zijn geheugen- en concentratieproblemen gerelateerd aan blaaskanker en stress wordt overwogen dat hiervoor geen medische onderbouwing aanwezig is. Evenmin heeft appellant de aanwezigheid van energetische beperkingen ten gevolge van slaaptekort met medische informatie onderbouwd. Voor het vaststellen van een urenbeperking heeft het Uwv daarom terecht geen aanleiding gezien. 4.
- Nu voor het aannemen van aanvullende beperkingen onvoldoende aanknopingspunten bestaan, heeft de rechtbank met juistheid het standpunt van het Uwv onderschreven dat appellant per 13 september 2016 op basis van de opgestelde FML geschikt is voor ten minste één van eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies, te weten de functie van inpakker.
- De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij dit oordeel is geen ruimte voor veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de door appellant gevorderde schade in de vorm van wettelijke rente.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak;- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november
- (getekend) J.S. van der Kolk (getekend) D.S. Barthel GdJ