183699 WW, 18/3700 ZW Datum uitspraak: 7 november 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2018, 17/7172 WW en 17/7173 ZW (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats 1], Hongarije (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2019. Namens appellante is mr. Voets verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. OVERWEGINGEN 1.1. Het Uwv heeft appellante per 8 juli 2016 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Vanuit die situatie heeft zij zich op 11 november 2016 ziek gemeld. Van 10 februari 2017 tot 21 juni 2017 heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. De ZW-uitkering is per 21 juni 2017 beëindigd omdat appellante weer arbeidsgeschikt is per deze datum. Bij besluit van 2 juni 2017 is de WW-uitkering van appellante per 21 juni 2017 voortgezet. 1.2. Bij besluit van 25 augustus 2017 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante per 22 augustus 2017 ingetrokken, omdat appellante sinds deze datum in het buitenland verblijft. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Volgens appellante is zij met toestemming van het Uwv naar het buitenland (Hongarije) verhuisd en is de WW-uitkering daarom ten onrechte beëindigd. 1.3. Op 5 september 2017 heeft appellante zich ziek gemeld. Bij besluit van 18 september 2017 heeft het Uwv appellante per 5 september 2017 een ZW-uitkering geweigerd omdat zij niet verzekerd is voor de ZW. Ook tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. 1.4. Bij besluit van 18 oktober 2017 heeft het Uwv het besluit van 2 juni 2017, waarbij de WW-uitkering per 21 juni 2017 is voortgezet, ingetrokken omdat uit nieuwe informatie is gebleken dat appellante vanaf 31 mei 2017 niet meer in Nederland verblijft of ingeschreven is. Het Uwv heeft daarom ook het besluit van 25 augustus 2017 ingetrokken en bepaald dat aan appellante over de periode van 21 juni 2017 tot en met 21 augustus 2017 ten onrechte een WW-uitkering is betaald. 1.5. Bij beslissing op bezwaar van 5 december 2017 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 augustus 2017 gericht geacht tegen het besluit van 18 oktober 2017 en het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante per 31 mei 2017 niet meer staat ingeschreven in de basisregistratie personen (brp), dat daarom de WW-uitkering vanaf 21 juni 2017 is ingetrokken en dat niet is gebleken dat appellante voor haar vertrek naar het buitenland aan het Uwv toestemming heeft gevraagd om met behoud van WW-uitkering naar het buitenland te verhuizen en daar naar werk te zoeken. 1.6. Bij beslissing op bezwaar van 7 december 2017 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 september 2017 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellante niet verzekerd is voor de ZW, omdat zij zich niet binnen vier weken na de beëindiging van de WW-uitkering per 21 juni 2017 ziek heeft gemeld. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het besluit tot intrekking van de WW-uitkering een belastend besluit is, zodat het aan het Uwv is om feiten aan te dragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat appellante vanaf 21 juni 2017 buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie. Vast staat dat appellante zich vanaf 31 mei 2017 heeft uitgeschreven uit de gemeente [woonplaats 2]. Het Uwv heeft aangevoerd dat appellante geen verklaring heeft gegeven waarom zij zich al op deze datum heeft laten uitschrijven terwijl ze stelt pas per 1 juli 2017 daadwerkelijk te zijn verhuisd. Daarnaast is het besluit van 2 juni 2017 aan appellante onbestelbaar retour is gekomen met de vermelding: “geadresseerde verhuisd, adres onbekend” en blijkt uit een intern e-mailbericht van 19 juni 2017 dat een medewerker van het Uwv de echtgenoot van appellante die dag aan de telefoon heeft gesproken en dat deze heeft meegedeeld dat hij naar Hongarije is verhuisd. Tot slot heeft het Uwv gewezen op een bericht van 23 juni 2017 in de werkmap van appellante, waarbij zij heeft meegedeeld dat zij inmiddels met toestemming van het Uwv is verhuisd naar Hongarije. Gelet op deze omstandigheden heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat appellante op 31 mei 2017 naar Hongarije is vertrokken en heeft het Uwv terecht per 21 juni 2017 de WW-uitkering van appellante ingetrokken op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW. Niet is gebleken dat appellante voorafgaand aan haar vertrek het Uwv toestemming heeft gevraagd om met behoud van WW-uitkering naar Hongarije te verhuizen. Ook is niet gebleken dat appellante het PD U2-formulier voorafgaand aan haar vertrek heeft aangevraagd bij het Uwv en dat het Uwv dit formulier heeft afgegeven. Voor zover appellante heeft gesteld dat zij de vereiste toestemming wel voor haar vertrek heeft aangevraagd, heeft de rechtbank overwogen dat zij deze toestemming had moeten afwachten alvorens naar Hongarije te vertrekken aangezien aan deze vereisten vóór vertrek naar het buitenland moet zijn voldaan en dit niet achteraf kan worden hersteld. Nu het Uwv de WW-uitkering van appellante terecht heeft ingetrokken per 21 juni 2017, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd appellante een ZW-uitkering toe te kennen op de grond dat zij op de datum van haar ziekmelding niet verzekerd was voor de ZW. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij en haar echtgenoot in juni 2017 al bezig waren met de verhuizing, maar dat zij pas op 5 juli 2017 zijn verhuisd naar Hongarije. In dit licht moeten de telefonische mededeling van de echtgenoot op 19 juni 2017 en de mededeling van appellante op 23 juni 2017 in de werkmap worden gezien; zij hebben bedoeld te zeggen dat ze bezig waren met de verhuizing. Andere brieven en besluiten van het Uwv zijn in juni 2017 wel aangekomen op het adres in Nederland. Voorafgaand aan de verhuizing hebben appellante en haar echtgenoot meerdere keren telefonisch contact gehad met het Uwv. Op basis van de telefonisch verstrekte informatie ging appellante ervan uit dat zij na de verhuizing gedurende drie maanden de WW-uitkering zou kunnen behouden, onder de voorwaarde dat zij uiterlijk twee weken voor vertrek de verhuizing moest melden. Appellante heeft dit gedaan; zij heeft op 27 mei 2017 tegelijk met haar echtgenoot schriftelijk de verhuizing naar Hongarije aan het Uwv gemeld. De melding van de echtgenoot is wel door het Uwv ontvangen en gehonoreerd per 1 juli 2017, maar haar melding is kennelijk zoekgeraakt. Pas na de verhuizing bleek dat appellante niet aan de vereisten voor de export van de WW-uitkering had voldaan omdat zij niet in het bezit was van het U2-formulier. Appellante vindt het onredelijk dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om alsnog aan de vereiste formaliteiten te voldoen, mede omdat zij heeft gehandeld volgens de telefonische instructies van het Uwv en het risico van het zoekraken van haar melding voor rekening van het Uwv dient te komen. Appellante stelt dat zij aan alle voorwaarden voor de export van haar WW-uitkering heeft voldaan. Dat zij zich niet heeft kunnen inschrijven bij het arbeidsbureau in Hongarije kan haar niet worden verweten, omdat ze de Hongaarse taal niet beheerst. Tot slot meent appellante dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met het verbod van reformatio in peius, omdat het Uwv naar aanleiding van het bezwaar van appellante de WW-uitkering per een eerdere datum heeft ingetrokken. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1.1. Op grond van artikel 64 van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (Vo 883/2004, de basisverordening) behoudt de volledig werkloze die voldoet aan de bij de wetgeving van de bevoegde lidstaat gestelde voorwaarden om recht te hebben op uitkeringen en die zich naar een andere lidstaat begeeft om werk te zoeken, het recht op werkloosheidsuitkering onder de in die bepaling opgenomen voorwaarden en beperkingen. Het recht op uitkering wordt gehandhaafd gedurende een tijdvak van drie maanden vanaf de datum waarop de werkloze niet langer ter beschikking stond van de diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaat die hij heeft verlaten. 4.1.2. Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van Verordening (EG) nr. 987/2009 (Vo 987/2009, de toepassingsverordening) luidt als volgt: 1. Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 64 van de basisverordening stelt de werkloze die zich naar een andere lidstaat begeeft, vóór zijn vertrek het bevoegde orgaan daarvan in kennis en verzoekt hij dit orgaan om een document waaruit blijkt dat hij onder de in artikel 64, lid 1, onder b), van de basisverordening vastgestelde voorwaarden het recht op de uitkering behoudt. Dit orgaan informeert de betrokkene over de verplichtingen die op hem rusten, en verstrekt hem het document, waarin met name worden vermeld:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.