Datum uitspraak: 15 november 2019 19/831 BESLU-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2019, 18/1818 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 15 mei 2019 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft verzet gedaan. Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 4 oktober
- Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 15 mei 2019 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend, was 20 februari
- Het hogerberoepschrift is digitaal ingediend op 21 februari
- De termijn voor het instellen van hoger beroep is daarmee overschreden. In verzet heeft appellant te kennen gegeven dat zijn psychiater in verband met ziekte is uitgevallen. Appellant had hierdoor niet de mogelijkheid om de aangevallen uitspraak met hem te bespreken. Door zijn PTSS en zijn depressie na ontvangst van de aangevallen uitspraak is de datum van de uitspraak appellant ontgaan. Daarnaast dacht appellant dat de termijn om hoger beroep in te stellen ging lopen op het moment dat hij de aangevallen uitspraak had ontvangen. De Raad ziet in het door appellant aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Indien appellant de aangevallen uitspraak door uitval van zijn psychiater niet met hem kon bespreken, had hij pro forma beroep kunnen instellen om de termijn veilig te stellen. Appellant heeft geen medische stukken overgelegd, waarbij blijkt dat hij gedurende de gehele beroepstermijn buiten staat is geweest een hogerberoepschrift in te (laten) dienen. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november
- (getekend) C.H. Bangma De griffier is verhinderd te ondertekenen. md