19826 ZVW Datum uitspraak: 20 november 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 januari 2019, 18/5045 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) CAK PROCESVERLOOP Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland. Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. CAK heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober
- Appellant is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Bij besluit van 11 januari 2018 heeft CAK de voorlopige eindafrekening bestuursrechtelijke premie opgemaakt. Daarbij is bepaald dat appellant over de periode van 1 oktober 2012 tot 1 januari 2018 een bedrag van € 9,27 terug krijgt. 1.
- Bij besluit van 21 februari 2018 heeft CAK aan appellant te kennen gegeven dat de berekening van de eindafrekening na de voorlopige eindafrekening niet meer is gewijzigd. Daardoor is de eindafrekening definitief geworden. 1.
- Appellant heeft met een op 16 april 2018 aangetekend verzonden brief bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 februari
- CAK heeft het bezwaarschrift op 2 mei 2018 ontvangen. 1.
- Bij besluit van 1 juni 2018 (bestreden besluit) heeft CAK het tegen het besluit van 21 februari 2018 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is te laat ingediend en niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft uiteengezet dat hij van mei 2010 tot maart 2014 in de schuldsanering zat, dat zijn leefomstandigheden slecht waren en dat CAK ten onrechte broninhouding van de bestuursrechtelijke premie heeft laten plaatsvinden. Hij wil het geld dat onterecht boven de standaardpremie is ingehouden en de wettelijke rente daarover van CAK terug betaald krijgen. Appellant heeft – ter zitting van de Raad – naar voren gebracht dat hij door zijn psychische en lichamelijke klachten en zijn medicijngebruik niet in staat was tijdig bezwaar te maken tegen het besluit van 21 februari
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Niet in geschil is dat het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 21 februari 2018 na afloop van de bezwaartermijn is ingediend. 4.
- Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 4.
- Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De Raad wijst erop dat appellant in de bezwaarfase niet heeft gereageerd op het verzoek van CAK om aan te geven waarom het bezwaar te laat is ingediend en dat appellant in beroep daarover ook niets heeft aangevoerd. De door appellant eerst ter zitting van de Raad geschetste omstandigheden waardoor hij niet in staat zou zijn geweest om tijdig bezwaar te maken, leiden niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat niet aannemelijk is geworden dat de klachten van dien aard waren dat hij pas na de wettelijke termijn bezwaar heeft kunnen maken. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november
- (getekend) J.P.A. Boersma (getekend) C.I. Heijkoop