← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:3815

Datum uitspraak: 19 november 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 april 2017, 16/2289 en 16/2290 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college) Zitting heeft: J.T.H. Zimmerman Griffier: R.I.S. van Haaren Ter zitting is appellante verschenen, bijgestaan door mr. R.M.J. Schoonbrood, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Roestenberg. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten; wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

  1. Bij besluit op bezwaar van 16 juni 2016 heeft het college de aanvraag van appellante van 21 juli 2015 om bijstand ingevolge de Participatiewet, na een eerdere buiten behandelingstelling, afgewezen.
  2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 16 juni 2016 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellante met ingang van 18 augustus 2015 recht op bijstand heeft.
  3. Tussen partijen is uitsluitend in geschil de afwijzing van bijstand over de periode van 25 juni 2015 (datum melding) tot 18 augustus 2015 (ingangsdatum bijstand).
  4. Aan het besluit op bezwaar van 16 juni 2016 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet de gevraagde bankafschriften heeft verstrekt van de bankrekening van de vennootschap onder firma, van welke firma appellante en haar ex-echtgenoot de vennoten waren. Appellante heeft hierdoor geen duidelijkheid gegeven over haar financiële situatie voorafgaande aan, en ten tijde van haar aanvraag zodat niet vastgesteld kan worden of appellante verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.
  5. Het gaat hier om een aanvraag om bijstand. De bewijslast van bijstandbehoevendheid ligt bij aanvragen om bijstand in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie.
  6. Appellante heeft aangevoerd dat de gevraagde gegevens niet relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de bankafschriften van de bankrekening van de vennootschap onder firma noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en het vaststellen van het recht op bijstand, en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij redelijkerwijs niet de beschikking kon krijgen over deze bankafschriften. Van belang is dat appellante medevennoot was van de vennootschap tot het moment van de feitelijke uitschrijving van haar als medevennoot op 18 augustus
  7. Dat aan deze uitschrijving als medevennoot terugwerkende kracht (per 1 oktober 2014) is gegeven, betekent niet dat de bankafschriften niet (meer) relevant zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, zoals zij stelt, de bankafschriften niet van de bank kon krijgen.
  8. Het hoger beroep slaagt niet. Hieruit volgt dat geen aanleiding bestaat voor een veroordeling tot vergoeding van schade. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat evenmin aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) R.I.S. van Haaren (getekend) J.T.H. Zimmerman

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.