174200 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 april 2017, 16/530 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college) Datum uitspraak: 2 december 2019 Zitting heeft: W.H. Bel Griffier: J.B. Beerens Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november
- Namens appellant is verschenen mr. J.L. Scheltens, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Wormgoor. De Raad heeft, na sluiting van het onderzoek ter zitting, met toepassing van artikel 8:67, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat mondeling uitspraak wordt gedaan en dat die uitspraak wordt verdaagd tot 2 december
- BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
- Bij besluit van 4 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 december 2015 (bestreden besluit), heeft het college appellant met ingang van 9 juli 2015 bijstand toegekend op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij heeft het college met toepassing van artikel 27 van de PW en met inachtneming van artikel 3, aanhef en onder b, van de Beleidsregels aanpassing bijstandsnorm (Beleidsregels), de bijstandsnorm met 10% van de gehuwdennorm verlaagd wegens het ontbreken van woonkosten.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.
- In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellant heeft aangevoerd dat, anders dan in de uitspraak van 23 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2018:3382, het college in zijn geval niet bevoegd was de Beleidsregels toe te passen, omdat hij als dakloze € 5,75 per dag (€ 175,- per maand) aan nachtopvang kwijt was en dus kosten voor zijn woonsituatie heeft gemaakt. De verlaging van de bijstandsnorm met 10% van de gehuwdennorm was daarom niet terecht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant was ten tijde van belang dakloos en voldeed al om die reden, gelet op artikel 3, aanhef en onder b, van de Beleidsregels, aan een van de criteria van de Beleidsregels om de norm te verlagen.
- Appellant heeft vervolgens aangevoerd dat de norm in zijn geval niet moet worden verlaagd, omdat hij de hiervoor genoemde woonkosten heeft. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. In de toelichting op artikel 3 van de Beleidsregels is opgenomen dat daklozen en zwervenden in de regel geen woning aanhouden, maar dat deze personen wel worden geconfronteerd met de kosten van het op straat leven, zoals bijvoorbeeld de kosten van nachtopvang en van het aanhouden van een briefadres. Met het niet aanhouden van een woning wordt bedoeld dat een dakloze geen kosten van huur of hypotheeklasten heeft en geen vaste lasten, zoals kosten voor verzekeringen, belastingen en water-, energie- en gasverbruik, die zijn verbonden aan het bewonen van een (eigen) woning. Nog daargelaten dat de eigen bijdrage voor de nachtopvang, naast het nachtverblijf, ook het gebruik van ontbijt, diner, douche, wasmachine, droger en dagopvang omvat en dus niet alleen ziet op onderdak, ziet de bijdrage voor nachtopvang niet op kosten als bedoeld in de Beleidsregels.
- Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer (getekend) J.B. Beerens (getekend) W.H. Bel