174521 WAJONG Datum uitspraak: 28 november 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2017, 16/4618 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.J.E. Stout, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2019. Namens appellante is mr. Stout verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren [in] 1989, heeft in verband met een visusstoornis en psychische klachten sinds 25 maart 2008 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ontvangen, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 29 september 2015 heeft het Uwv aan appellante een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellante arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 7 januari 2016 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 is verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. 1.3. Bij besluit van 1 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 7 januari 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening heeft gehouden met de klachten en beperkingen van appellante en uitvoerig, mede op basis van bevindingen uit het dossier, heeft gemotiveerd waarom en onder welke voorwaarden appellante in staat is ten minste één uur aaneengesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar is. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom en onder welke voorwaarden appellante in staat is een taak in een arbeidsorganisatie uit te voeren en waarom zij beschikt over basale werknemersvaardigheden. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep rekening gehouden met de door appellante voltooide opleidingen en de in dat kader volbrachte stages. Hierbij is onderkend dat zij belemmeringen ervaart op sociaal vlak en onder welke omstandigheden die belemmeringen kunnen worden ondervangen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor twijfel aan het medisch en arbeidskundig oordeel. Het Uwv heeft terecht besloten dat appellante arbeidsvermogen heeft als bedoeld in de Wajong 2015. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij geen arbeidsvermogen heeft, zodat zij met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht heeft op een uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Zij heeft naar voren gebracht dat het arbeidskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante de taak “scannen” kan uitvoeren. Hierbij is geen aansluiting gezocht bij de dagelijkse bezigheden van appellante. Appellante is niet ADL-zelfstandig. Zij heeft hulp nodig van haar man en moeder. Niet is gemotiveerd hoe appellante de taak “scannen” kan uitvoeren. Appellante heeft slechts heel beperkt zicht en bij een taak als scannen is het van belang goed te kunnen zien. Appellante is tevens van mening dat zij niet één uur zonder substantiële onderbreking kan werken. De visuele stoornis en haar dwanghandelingen kunnen niet aangemerkt worden als normale onderbrekingen. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Op 1 januari 2015 is artikel III, met uitzondering van de onderdelen J, K, L en N, van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270 en 271) in werking getreden. Per 1 januari 2015 is ook het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) aangepast (besluit van 8 oktober 2014, Stb. 2014, 359). Op grond van artikel III, onderdeel O, van de Invoeringswet Participatiewet is artikel 3:8a aan de Wajong toegevoegd. Op grond van artikel III, onderdeel P, van de Invoeringswet Participatiewet is artikel 8:10b aan de Wajong toegevoegd. 4.1.2. Op grond van artikel 8:10b, eerste lid, van de Wajong stelt het Uwv vast of de jonggehandicapte met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 3:8 van de Wajong. 4.1.3. Artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag bedraagt. 4.1.4. Op 1 januari 2018 is artikel III, onderdeel N, van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270 en 271) in werking getreden. Dit artikel bepaalt dat in artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong ‘75%’ wordt vervangen door: ‘70%’. 4.1.5. In afwijking van artikel 3:8, eerste lid, van de Wajong bepaalt artikel 3:8a, eerste lid, van de Wajong dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer 75% van de grondslag bedraagt, indien de jonggehandicapte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Ingevolge het derde lid wordt de jonggehandicapte die op 1 januari 2018 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft geacht op die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie te hebben. 4.1.6. Voorgaande wetsbepalingen hebben tot gevolg dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellante met ingang van 1 januari 2018 diende te worden verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon, indien zij op die datum mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had. 4.2. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft een betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.