181095 AWBZ Datum uitspraak: 27 november 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het beroep tegen het besluit van Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. van 12 januari
- Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor) PROCESVERLOOP Bij uitspraak van 14 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2199, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 1 september 2016, kenmerk 15/4340, vernietigd, het beroep van appellant gegrond verklaard, het besluit van 19 augustus 2015 vernietigd voor zover daarbij niet is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 25 februari 2015 en het zorgkantoor opgedragen om met inachtneming van de uitspraak van de Raad alsnog op dat bezwaar te beslissen. Daarbij is met toepassing van artikel 8:113, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen de door het zorgkantoor nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. Bij besluit van 12 januari 2018 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Namens appellant heeft mr. J.W.F. Menick, advocaat, beroep ingesteld. Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Menick. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hartman. OVERWEGINGEN
- Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de hiervoor genoemde uitspraak van 14 juni
- Hij voegt daar het volgende aan toe.
- Het zorgkantoor heeft ter uitvoering van deze uitspraak het thans bestreden besluit van 12 januari 2018 genomen met het bijbehorende vaststellingsbesluit van 6 januari
- Bij dit besluit heeft het zorgkantoor het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard en het persoonsgebonden budget (pgb) voor het jaar 2012 nader vastgesteld op € 16.314,
- Het zorgkantoor heeft aanleiding gezien een deel van de verantwoorde kosten over 2012 te accepteren.
- Appellant heeft op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Niet in geschil is dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) neergelegde verplichtingen. Het zorgkantoor was dan ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb bevoegd het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag. 4.
- Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) vloeit voort dat bij de uitoefening van de bevoegdheid om een pgb lager vast te stellen een belangenafweging moet worden gemaakt, die niet mag leiden tot een voor de verzekerde onevenredige uitkomst. Bij deze afweging is van belang of de verzekerde, ondanks dat door hem niet aan de gestelde verplichtingen is voldaan, voldoende aannemelijk en inzichtelijk heeft gemaakt dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend, dat deze zorg uit het pgb mag worden betaald en dat deze zorg daadwerkelijk is betaald. Nu de bewijslast in deze op de verzekerde rust, draagt de verzekerde het bewijsrisico. Als door de verzekerde onvoldoende aannemelijk en inzichtelijk wordt gemaakt dat, en in welke omvang, AWBZ-zorg is verleend en betaald, dient zijn belang te wijken voor het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen. 4.
- Voorop staat dat de verantwoording van de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid is van de verzekerde. Appellant heeft aangevoerd dat hij zorg heeft ontvangen, maar dat hij zijn zorgverleners niet heeft kunnen betalen doordat hij te weinig pgb heeft ontvangen. Hij beschikt niet (meer) over alle door het zorgkantoor gevraagde stukken en kan de zorg hierdoor niet verantwoorden. De door appellant aangevoerde omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat het zorgkantoor niet in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat meer zorg is verleend dan het zorgkantoor bij het bestreden besluit reeds heeft goedgekeurd. 4.
- Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft het zorgkantoor in redelijkheid gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen op een wijze zoals deze is gedaan. Het zorgkantoor is bevoegd op grond van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb om de onverschuldigd aan appellant betaalde voorschotten van hem terug te vorderen. 4.
- Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en J. Brand en A. van Gijzen als leden, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november
- (getekend) L.M. Tobé (getekend) M. Graveland IJ
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.