182602 WLZ-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 april 2018, 16/5390 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) CIZ Datum uitspraak: 25 november 2019 Zitting hebben: L.M. Tobé als voorzitter en R.M. van Male en W.J.A.M. van Brussel als leden Griffier: M. Graveland Namens appellant is zijn wettelijk vertegenwoordiger en moeder [naam moeder appellant] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Bij besluit van 17 maart 2016, gehandhaafd bij besluit van 8 augustus 2016 (bestreden besluit), is de aanvraag van appellant om zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz geeft geen recht op Wlz-zorg indien de noodzaak van permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid voortvloeit uit een psychiatrische grondslag. Ook indien sprake is van een psychiatrische grondslag in combinatie met andere wel in artikel 3.2.1 van de Wlz genoemde grondslagen, zoals een somatische grondslag en/of een verstandelijke handicap, moet worden beoordeeld of alleen deze andere grondslagen leiden tot permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De Raad verwijst hiertoe naar zijn uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:334. Ten aanzien van de gestelde verstandelijke handicap geldt dat uit de stukken geen gericht onderzoek blijkt waaruit dit naar voren komt. De brief van de huisarts van 22 december 2017 is dat niet. Ten aanzien van de somatische beperkingen geldt dat de medisch adviseur van CIZ deze heeft betrokken in zijn beoordeling en vanuit zijn deskundigheid heeft geoordeeld dat deze niet leiden tot de noodzaak van permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Uit wat appellant heeft aangevoerd volgt niet dat aan deze conclusie moet worden getwijfeld. Voor zover appellant heeft bedoeld aan te voeren dat zijn psychiatrische beperkingen op grond van het overgangsrecht opgenomen in artikel 11.1.3 van de Wlz, of op grond van artikel 3.2.2 van de Wlz recht geven op Wlz-zorg volgt de Raad appellant niet, nu aan de toepassingsvoorwaarden van die bepalingen niet is voldaan. Het hoger beroep slaagt niet. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer (getekend) M. Graveland (getekend) L.M. Tobé
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.