← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2019:3889

191275 WIA Datum uitspraak: 4 december 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2019, 18/5426 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A. el Kadi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober

  1. Partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN 1.
  2. Bij besluit van 13 oktober 2011 heeft het Uwv appellant met ingang van 22 november 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 21 maart 2012 ongegrond verklaard. 1.
  3. Op 16 mei 2018 heeft appellant een verzoek ingediend bij het Uwv om terug te komen van het besluit van 13 oktober
  4. Bij besluit van 20 juni 2018 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 26 juli 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. 2.
  5. Bij beroepschrift van 4 september 2018 heeft de gemachtigde namens appellant beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht om hem een redelijke termijn te gunnen om de (aanvullende) gronden van het beroep aan te voeren. Bij brief van 6 september 2018 heeft de rechtbank appellant verzocht om binnen een termijn van vier weken de gronden van het beroep in te dienen omdat deze ontbreken in het beroepschrift. Hierbij heeft de rechtbank aan appellant medegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet tijdig aan dit verzoek wordt voldaan. Appellant heeft niet aan dit verzoek voldaan. Bij brief van 30 oktober 2018 heeft de rechtbank appellant uitgenodigd voor de behandeling van het beroep ter zitting op 6 februari
  6. Appellant is niet verschenen ter zitting. 2.
  7. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen mondelinge uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet voldoet aan de voorwaarde dat het de gronden van het beroep bevat en appellant geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om dit gebrek te herstellen. 3.
  8. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de rechtbank een zitting heeft bepaald om het beroep te behandelen. Appellant heeft gesteld dat de beroepsgronden gelijk zijn aan de bezwaargronden. 3.
  9. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
  10. De Raad oordeelt als volgt. 4.
  11. In artikel 6:5, eerste lid en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en ten minste de gronden van het bezwaar of beroep bevat. 4.
  12. In artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. 4.
  13. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het beroepschrift van 4 september 2018 niet de gronden van het beroep bevat en dat appellant het gebrek niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft hersteld. Dat de rechtbank een zitting heeft bepaald om het beroep te behandelen betekent niet dat daarmee is geoordeeld dat appellant zijn verplichting niet heeft geschonden om tijdig de beroepsgronden in te dienen. De rechtbank heeft het beroep daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. 4.
  14. Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
  15. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 december
  16. (getekend) A.T. de Kwaasteniet (getekend) M.A.E. Lageweg

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.