17 5000 PW Datum uitspraak: 8 januari 2019 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 mei 2017, 17/541 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (college), als rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking A2-gemeenten PROCESVERLOOP In dit geding treedt het college in de plaats van het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking A2-gemeenten (dagelijks bestuur). Onder het college wordt hierna tevens het dagelijks bestuur verstaan. Namens appellant heeft mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat, hoger beroep ingesteld en aanvullende stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 16/7941 PW, 16/7942 PW en 18/3254 PW plaatsgevonden op 5 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Knippenbergh. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W.M. Peerboom. In de zaken 16/7941 PW, 16/7942 PW en 18/3254 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant is door de Sociale verzekeringsbank (Svb) erkend als gemoedsbezwaarde en niet verzekerd voor ziektekosten. Op 9 juni 2015 is hij in het ziekenhuis opgenomen en geopereerd aan een gescheurd aneurysma. 1.2. Appellant heeft op 1 augustus 2016 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van een oogoperatie. Op 4 augustus 2016 heeft appellant ook aanvragen om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van een psycholoog, slaapstoornisonderzoek, knieoperatie, buikwandoperatie, longonderzoek, onderzoek naar een posttraumatische stressstoornis (PTSS), steunzolen, steunkousen en orthopedische schoenen. Bij besluit van 7 oktober 2016 (besluit 1) heeft het college deze aanvragen van appellant afgewezen op de grond dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) een toereikende en passende voorliggende voorziening biedt. 1.3. Op 1 augustus 2016 heeft appellant ook aanvragen om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van zonneschermen, een nieuwe stofzuiger en nieuwe (glas)gordijnen. Op 22 augustus 2016 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van een matras. Bij afzonderlijk besluit van 7 oktober 2016 (besluit 2) heeft het college deze aanvragen van appellant afgewezen op de grond dat de kosten moeten worden gezien als algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die in beginsel uit de bijstandsnorm dienen te worden bestreden, door reservering of gespreide betaling achteraf. 1.4. Appellant heeft op 1 augustus 2016 ook bijzondere bijstand aangevraagd om een vordering te betalen van deurwaarder GGN voor een betalingsachterstand bij zorgverzekeraar CZ. Op 29 augustus 2016 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de betaling van een aanslag watersysteemheffing ingezetenen 2015. Bij afzonderlijk besluit van 7 oktober 2016 (besluit 3) heeft het college deze aanvragen van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de aanvragen om bijzondere bijstand niet tijdig zijn ingediend. Ingevolge het beleid van het college dient een aanvraag om bijzondere bijstand binnen drie maanden nadat de kosten zijn opgekomen te worden ingediend. 1.5. Bij besluit van 31 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Besluit 1 4.1. Niet in geschil is dat de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van een oogoperatie, psycholoog, slaapstoornisonderzoek, knieoperatie, buikwandoperatie, longonderzoek, onderzoek naar een PTSS, steunzolen, steunkousen en orthopedische schoenen een aanvraag om bijzondere bijstand voor medische kosten betreft. 4.2. Ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de Paticipatiewet (PW) bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Ingevolge de tweede volzin strekt het recht op bijstand zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. 4.3. Tussen partijen is ook niet in geschil dat in de artikelen 57 en 70 van de Zvw en artikel 6.4.1 van de Regeling Zorgverzekering een voorliggende voorziening is opgenomen voor gemoedsbezwaarden. Deze voorziening houdt in dat de Belastingdienst van de door de Svb erkende gemoedsbezwaarde een bijdragevervangende belasting heft en die stort op een op naam gestelde rekening van de gemoedsbezwaarde bij het CAK (tot 1 januari 2017: bij het ZIN). Van deze rekening kan het CAK aan de gemoedsbezwaarde een vergoeding uitkeren voor ziektekosten tot maximaal het saldo van de rekening. 4.4. Appellant heeft aangevoerd dat de voorliggende voorziening voor gemoedsbezwaarden niet toereikend en passend is, omdat ZIN slechts een bedrag ter hoogte van het door hem opgebouwde tegoed vergoedt, dat dit tegoed niet toereikend is om de onder 4.1 genoemde medische kosten te voldoen en hij de resterende kosten zelf moet betalen. Deze grond slaagt niet. De Raad verwijst hiervoor naar zijn uitspraak van heden, nr. 16/7941 PW, waarin hij heeft bepaald dat de Zvw, met de daarin opgenomen regeling voor gemoedsbezwaarden, een passende en toereikende voorliggende voorziening is voor gemoedsbezwaarden. 4.5. Artikel 16, eerste lid, van de PW biedt de mogelijkheid om in afwijking van in artikel 15, eerste lid, van de PW bedoelde kosten bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraken van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL3224, van 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:678, en van 6 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1533) kunnen zeer dringende redenen zich alleen voordoen indien zich een acute noodsituatie voordoet en indien de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie is aan de orde als een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. 4.6. Appellant heeft aangevoerd dat de omstandigheid dat het uitblijven van een buikwandoperatie, een longonderzoek en een behandeling door een psycholoog leidt tot ernstig blijvend letsel of zelfs tot overlijden, een zeer dringende reden is die tot verlening van bijzondere bijstand noopt. Ter onderbouwing van deze grond heeft appellant gewezen op het Medisch advies Wet Maatschappelijke Ondersteuning van Argonaut Advies B.V. van 27 oktober 2016 (rapport). In dat rapport schrijft een arts dat het ziektebeeld van de cliënt betrekking heeft op een vaataandoening, chirurgische aandoening (littekenbreuk) en longaandoening. Deze arts schrijft onder meer: “Bevindingen bij onderzoek en observatie duiden op een (mogelijk ernstig) perifeer vaatlijden met mogelijk neurologische complicaties. Tevens is sprake van een chirurgische aandoening in de buik. De voorgeschiedenis vermeldt een kwaadaardig longlijden. Dat is destijds curatief behandeld en in dit kader niet relevant. Door genoemde aandoeningen heeft hij objectiveerbare (progressieve) beperkingen in m.n. lopen, traplopen, (op)staan, buigen, bukken, duwen/trekken, tillen. Er is ook een energetische beperking. […] Wat, althans uit medisch oogpunt, allereerst zou moeten gebeuren is een grondige evaluatie van de klachten en daaropvolgend behandeling. Het is niet uit te sluiten dat (tenminste een deel van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.