172982 WAJONG Datum uitspraak: 4 december 2019 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 februari 2017, 16/8426 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.G. Hage, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hage. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen doormr. W.P.F. Oosterbos. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren [in] 1987, heeft met een door het Uwv op 20 juli 2015 ontvangen formulier een aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante niet kan werken in verband met een psychisch belast verleden, persoonlijkheidsstoornis, borderline, hersenvliesontsteking en een schildklieraandoening. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 23 november 2015 is de aanvraag afgewezen, omdat appellante volgens het Uwv geen arbeidsvermogen had toen zij achttien jaar was, maar dat deze situatie niet duurzaam was en dat binnen vijf jaar nadien wel sprake was van arbeidsvermogen in de zin van de Wajong 2015. 1.2. Bij besluit van 7 september 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 23 november 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten aanwezig zijn voor het oordeel dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inconsistenties bevatten, niet concludent zijn of niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. De voorbeelden van taken die door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep worden genoemd (brood beleggen of was vouwen) zijn voldoende concreet en behoeven geen nadere toelichting. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante deze taken niet kan uitvoeren. De taken zijn gestructureerd van aard en zijn tijdens eerdere stages verricht. Dat het appellante moeite kost om een opdracht uit te voeren, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat haar dit in het geheel niet lukt. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat appellante niet zou beschikken over basale werknemersvaardigheden. Met de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ziet de rechtbank in het onderwijsverleden en het werkverleden van appellante voldoende aanknopingspunten dat zij – zonodig met hulp van een jobcoach – in staat is instructies te begrijpen en afspraken na te komen. Appellante wordt leerbaar geacht in dit opzicht. Ook is voldoende gemotiveerd dat zij in staat wordt geacht tenminste vier uur per dag en één uur aaneengesloten te werken. De stelling van appellante in beroep dat zij moeite heeft met geluid en licht is niet onderbouwd. Dat appellante niet zonder begeleiding kan, doet aan de conclusies in voormelde rapporten niets af, nu daarin wordt uitgegaan van de mogelijkheid tot begeleiding, toezicht door een leidinggevende en hulp van collega’s. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank en het Uwv ten onrechte hebben geconcludeerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen bij haar niet duurzaam is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante aangevoerd dat zij in de bezwaarfase een rapport van 2 juni 2016 van GZ-psycholoog T.H. Voogt over een neuropsychologisch onderzoek heeft ingediend. Dit rapport is niet op juiste wijze meegewogen. Ook laat de rechtbank ten onrechte de conclusie in stand dat appellante aaneengesloten kan werken. Appellante kan dat niet. De uitspraak van de rechtbank is onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Aan haar broer die in een vergelijkbare situatie verkeert is wel een Wajong-uitkering toegekend. 3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. 4. De Raad stelt vast dat appellante in 2005 achttien jaar is geworden. Zij heeft in 2015 een Wajong-aanvraag gedaan. Gelet op het bepaalde in de artikelen 3:6 en 2:15 van de Wajong is hoofdstuk 1A van de Wajong op haar van toepassing. 4.1. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die: a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft; b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. Op grond van artikel 1a:11, tweede lid, voor zover hier van belang, ontstaat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk op de dag waarop de aanvraag werd ingediend. 4.2. Gelet op het bepaalde in artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong zal primair worden beoordeeld of het Uwv kan worden gevolgd in het standpunt dat appellante op de datum van haar aanvraag om een Wajong-uitkering arbeidsvermogen heeft. 4.3. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.